• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Laag tarief bij tijdelijk gebruik van meer dan zes maanden

juni 26, 2025 by VDWB

De staatssecretaris van Financiën heeft het beroep in cassatie ingetrokken tegen de uitspraak van Hof Den Haag van 10 april 2025. De uitleg van het hof biedt duidelijkheid omtrent de toepassing van het verlaagd tarief en de startersvrijstelling en draagt bij aan een verbetering van de uitvoerbaarheid van de regeling, aldus de staatssecretaris.

Tijdstipbelasting

Aangezien de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is, dient de toepassing van het verlaagd tarief en de startersvrijstelling op het moment van verkrijging te worden getoetst. In hoeverre kan aan het hoofdverblijfcriterium worden voldaan als reeds voor of op het moment van de verkrijging vaststaat dat de woning slechts tijdelijk als hoofdverblijf zal worden gebruikt?

Zes maanden

Voor het begrip ‘anders dan tijdelijk’ kan worden aangesloten bij de termijn van zes maanden die in de parlementaire geschiedenis wordt genoemd. Deze termijn van zes maanden kan worden aangehouden voor zowel de hoofdverblijfverklaring als voor de periode van het daadwerkelijk als hoofdverblijf gebruiken van de woning. Een en ander behoudens situaties van oneigenlijk gebruik of misbruik.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2025-0000015214 | 18-06-2025

Categorie: Overdrachtsbelasting

Aanmaningskosten terecht, ondanks beroep op verjaring

juni 26, 2025 by VDWB

In 2016 ontvangt een ondernemer een naheffingsaanslag accijns van € 279.058. Zes jaar later, in 2022, ontvangt hij een aanmaning van de Belastingdienst met € 18 aanmaningskosten. De ondernemer betwist deze kosten, omdat hij meent dat zijn belastingschuld is verjaard. Hij stelt dat de uitstelbeschikkingen niet geldig zijn bekendgemaakt aan zijn voormalige boekhouder, waardoor de verjaringstermijn niet wordt verlengd.

Uitstelbeschikkingen niet geldig?

Belastingschulden vervallen na vijf jaar, maar deze termijn wordt verlengd met periodes van betalingsuitstel. De ondernemer betoogt dat de uitstelbeschikkingen niet geldig zijn, omdat:

  1. Zijn voormalige boekhouder geen machtiging heeft om namens hem op te treden bij de ontvanger over betalingskwesties.
  2. De Belastingdienst de uitstelbeschikkingen ook aan hemzelf had moeten sturen volgens interne richtlijnen.
  3. Hij betwijfelt of de boekhouder de beschikkingen daadwerkelijk heeft ontvangen. Het enkel versturen is volgens hem onvoldoende, omdat de ontvangsttheorie geldt.

Verjaringstermijn verlengd

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank en geeft de Belastingdienst gelijk. Het hof oordeelt dat belastingrechters bevoegd zijn om over verjaring te oordelen bij aanmaningskosten, anders dan bij belastingaanslagen zelf. De boekhouder is een geldige gemachtigde, omdat hij jarenlang namens de ondernemer bezwaar en beroep instelt tegen de naheffingsaanslag zonder dat dit ooit wordt betwist. De bewering dat hij geen gemachtigde is, vindt het hof ongeloofwaardig. Een machtiging voor heffingsaspecten strekt zich gewoonlijk ook uit tot inningsaspecten van dezelfde aanslag. 

Bekendmaking aan de gemachtigde is volgens vaste bestuursrechtspraak voldoende. Aanvullende verzending aan de belanghebbende is niet vereist. Het hof verwerpt de stelling over het niet ontvangen van de beschikkingen, omdat deze pas tijdens de rechtszitting wordt geopperd. 

Door het verleende uitstel wordt de vijfjarige verjaringstermijn effectief verlengd, waardoor de schuld nog niet is verjaard bij de aanmaning.

Conclusie

Deze uitspraak verduidelijkt belangrijke aspecten van verjaring bij belastingschulden. Uitstel van betaling verlengt de verjaringstermijn effectief. Het is essentieel dat machtigingen aan vertegenwoordigers duidelijk zijn gedefinieerd en dat tijdig wordt geprotesteerd tegen stellingen over bevoegdheden. Bovendien geldt bekendmaking aan een gemachtigde als geldige bezorging volgens het bestuursrecht. Een kopie aan de belanghebbende is niet noodzakelijk.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:1420 | 14-05-2025

Categorie: Invordering

Beweerde verrekening telt niet mee bij verkrijgingsprijs

juni 26, 2025 by VDWB

Een zakenman koopt in 2010 aandelen voor € 1.961 en verkoopt deze in 2011 voor € 386.947. De Belastingdienst berekent een vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van € 384.986. De zakenman beweert echter dat zijn werkelijke aankoopkosten veel hoger lagen, omdat hij tegelijkertijd vorderingen op de verkoper zou hebben verrekend. De zaak roept de vraag op hoe de verkrijgingsprijs van aandelen moet worden vastgesteld wanneer de koper beweert meer te hebben betaald dan de contractprijs. Telt een beweerde schuldverrekening mee als onderdeel van de aankoopprijs van aandelen?

Aandeelhouder: vorderingen verhogen verkrijgingsprijs

De aandeelhouder stelt dat zijn verkrijgingsprijs aanzienlijk hoger ligt dan de contractprijs. Hij had verschillende vorderingen op zijn zakenpartner uit hoofde van creditcardopnames, weggesluisde huur, voorgeschoten hotelkosten en leningen. In een brief uit december 2010 somt hij deze vorderingen op voor een totaal van ongeveer € 500.000. Volgens hem was het de bedoeling deze vorderingen te verrekenen bij de aankoop van de aandelen, waardoor de werkelijke verkrijgingsprijs veel hoger uitkomt. Ter ondersteuning overlegt hij een verklaring van de zakenpartner uit 2019 waarin deze bevestigt dat schulden werden verrekend.

Inspecteur: contractprijs is leidend

De inspecteur houdt vol dat de verkrijgingsprijs gewoon de contractprijs van € 1.961 bedraagt. Een hogere verkrijgingsprijs is alleen mogelijk als wordt bewezen dat daadwerkelijk een hogere tegenprestatie is gegeven. De beweerde verrekening van vorderingen is niet aantoonbaar, aldus de inspecteur. Bovendien hadden die vorderingen geen waarde, omdat de zakenpartner ‘technisch failliet’ was. Er bestaat geen causaal verband tussen de beweerde vorderingen en de aankoop van aandelen. De brief uit 2010 toont juist aan dat de vorderingen toen nog bestonden, niet dat ze waren verrekend, aldus de inspecteur.

Oordeel van het hof

Het hof verwerpt alle standpunten van de aandeelhouder en bevestigt de verkrijgingsprijs van € 1.961. Het hof oordeelt dat de aandeelhouder faalt in zijn bewijslast op drie cruciale punten:

  • Geen bewijs van hogere aandelenwaarde. De aandeelhouder toont niet aan dat de aandelen ten tijde van aankoop meer waard waren dan de betaalde prijs. Hij had geen waarderingsrapporten en wist zelf niet eens wat de waarde was.
  • Waardeloze vorderingen. De beweerde vorderingen hadden geen waarde, omdat de zakenpartner ‘technisch failliet’ was en er niets verhaalbaar was.
  • Ontbrekend causaal verband. Er bestaat geen verband tussen de vermeende verrekening en de aandelenaankoop. De brief uit december 2010 toont juist dat vorderingen toen nog bestonden, niet dat ze waren verrekend.

De verklaring van de zakenpartner uit 2019 is volgens het hof een onbetrouwbare reconstructie achteraf die inconsistent is met andere feiten. Het hof concludeert dat geen sprake is van verrekening van vorderingen bij de aankoop.

Degelijk bewijs

Deze uitspraak benadrukt het belang van degelijk bewijs bij het vaststellen van verkrijgingsprijzen van aandelen. Beweringen over verrekening van vorderingen moeten concreet worden onderbouwd met betrouwbare documentatie uit de tijd van de transactie. Vorderingen op insolvente debiteuren hebben geen waarde en kunnen niet als tegenprestatie gelden. Voor aandeelhouders geldt: zorg voor duidelijke documentatie van alle aspecten van de tegenprestatie bij aankoop en verkoop van aandelen. Achteraf gereconstrueerde verklaringen hebben weinig bewijswaarde.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:3270 | 26-05-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Emigrant wint kwijtschelding van conserverende aanslag

juni 26, 2025 by VDWB

Een Nederlandse ondernemer emigreert in 2012 naar Zwitserland en krijgt een conserverende aanslag van € 12,2 miljoen over zijn aanmerkelijk belang. Na tien jaar uitstel van betaling vraagt hij kwijtschelding, maar de Belastingdienst weigert, omdat hij naar hun mening onvoldoende informatie heeft verstrekt over mogelijke verboden handelingen. Mag de Belastingdienst na afloop van de tienjarige uitsteltermijn nog onderzoeken of verboden handelingen hebben plaatsgevonden?

Automatische kwijtschelding na tien jaar?

De ondernemer stelt dat hij recht heeft op kwijtschelding, omdat de tienjarige uitsteltermijn is verstreken. Hij heeft alle benodigde informatie verstrekt en de Belastingdienst weigert concreet aan te geven welke gegevens nog ontbreken. Volgens hem was het de bedoeling van de wetgever dat na tien jaar automatisch kwijtschelding volgt zonder verdere voorwaarden. 

Onderzoeksbevoegdheid na uitsteltermijn?

De Belastingdienst houdt vol dat zij ook na afloop van de tienjarige termijn bevoegd is om te beoordelen of binnen die periode verboden handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de Belastingdienst heeft de ondernemer niet alle gevraagde informatie verstrekt over de jaarrekeningen van zijn vennootschap en mogelijke uitkeringen van reserves. Zonder deze gegevens kan niet worden vastgesteld of het uitstel eerder had moeten worden beëindigd. Kwijtschelding kan daarom worden geweigerd op grond van onvoldoende informatieverstrekking.

Volledige kwijtschelding

De rechtbank geeft de ondernemer volledig gelijk en verleent kwijtschelding van € 12,2 miljoen. Het hof oordeelt dat de Belastingdienst uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting over zijn bevoegdheden na de tienjarige termijn:

  • Geen onderzoeksbevoegdheid na tien jaar. De wettekst voorziet alleen in beëindiging van uitstel binnen de tienjarige termijn, niet erna. De Belastingdienst heeft geen recht om achteraf te beoordelen of verboden handelingen hebben plaatsgevonden.
  • Parlementaire geschiedenis bevestigt automatische kwijtschelding. Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat het de bedoeling is dat de aanslag uiterlijk na tien jaar vervalt" zonder nadere voorwaarden.
  • Bescherming tegen oneindige uitvraag. Een andere uitleg zou betekenen dat emigranten permanent onderhevig blijven aan informatieverplichting, wat niet de bedoeling van de wetgever is.

Duidelijkheid voor conserverende aanslagen 

Deze uitspraak brengt duidelijkheid voor emigrerende ondernemers met conserverende aanslagen uit de oude regelgeving. Na afloop van de tienjarige uitsteltermijn volgt automatisch kwijtschelding, zonder dat de Belastingdienst nog kan onderzoeken of binnen die periode verboden handelingen hebben plaatsgevonden. Dit biedt zekerheid voor ondernemers die al jaren in onzekerheid verkeren over hun belastingverplichtingen. De uitspraak geldt alleen voor conserverende aanslagen onder de oude regelgeving vóór september 2015.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:2903 | 13-05-2025

Categorie: Internationaal

Verdeling box 3 vermogen en keuze voljaars partnerschap niet via ambtshalve vermindering aan te passen

juni 19, 2025 by VDWB

Fiscale partners kunnen de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen onderling verdelen in iedere gewenste verhouding. De keuze maken zij in de aangifte. Een gemaakte keuze kan nog worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan. Een aanslag is onherroepelijk geworden als de bezwaartermijn is verstreken. Dat een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag ambtshalve kan worden verminderd, betekent niet dat de gekozen verdeling kan worden herzien via een verzoek om ambtshalve vermindering.

Een belastingplichtige die voor een deel van het kalenderjaar een fiscale partner heeft, wordt geacht het gehele kalenderjaar die partner te hebben gehad indien beiden daarvoor kiezen. De keuze wordt gemaakt bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij de aangifte. De keuze kan niet meer worden herzien als de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Ook voor deze keuze geldt dat het niet mogelijk is om deze via een verzoek om ambtshalve vermindering alsnog te wijzigen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:3325, BRE 24/7608 | 27-05-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Ondanks ANBI-status zijn belastingen en huur niet aftrekbaar als gift

juni 19, 2025 by VDWB

Een belastingplichtige probeert haar betaalde belastingen en huur af te trekken als giften en doet spontaan aangifte 2017. De vrouw constateert dat de Staat der Nederlanden, haar gemeente en de woonstichting alle drie de ANBI-status hebben. Zij is van mening dat álle betalingen aan ANBI’s automatisch kwalificeren als aftrekbare giften.

De inspecteur is het niet eens met de vrouw. Hij staat de aftrek niet toe en legt voor 2017 een aanslag op van € 219. De vrouw stelt dat die aanslag moet worden vernietigd. Hij is opgelegd in 2023 en dat is ruim buiten de termijn van drie jaar.

Geen aftrekbare gift

De rechtbank geeft de vrouw geen gelijk. Belastingen en premies aan overheidsorganen zijn geen bevoordeling uit vrijgevigheid. Zij vloeien voort uit wettelijke verplichtingen. Huurbetalingen kwalificeren evenmin als giften. Tegenover de betaling staat een tegenprestatie, namelijk woongenot. Het ANBI-karakter van de ontvanger maakt betalingen niet automatisch tot aftrekbare giften. Er moet sprake zijn van vrijgevigheid. De mandaten van belastingdienstmedewerkers zijn rechtsgeldig en natte handtekeningen zijn niet verplicht voor geldige besluiten. 

Reformatio in peius

Wat betreft de aanslag 2017 oordeelt de rechtbank dat deze rechtsgeldig is opgelegd, ook al gebeurt dit buiten de driejaarsgrens. De vrouw doet immers zelf spontaan aangifte binnen de vijfjaarsgrens, wat geldt als verzoek om een teruggaaf. Omdat de giften echter niet aftrekbaar zijn, moet de aanslag op nihil worden gesteld. Een belastingplichtige mag door het instellen van een bezwaar niet in een slechtere positie komen. De rechtbank is van oordeel dat dit beginsel ook van toepassing is als een belastingplichtige een verzoek om teruggave van belasting doet.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2025:5293 | 16-04-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 26
  • Pagina 27
  • Pagina 28
  • Pagina 29
  • Pagina 30
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 147
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"