• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Geen wettelijke termijn voor verliesbeschikking

februari 12, 2026 by VDWB

Een bv die statutair gevestigd is op Curaçao, maakt deel uit van een complexe structuur met meerdere vennootschappen. De inspecteur stelt na een vestigingsplaatsonderzoek vast dat de bv in de jaren 2010 tot en met 2015 feitelijk in Nederland is gevestigd. De bv lijdt in deze jaren verliezen en verzoekt de inspecteur om deze verliezen bij beschikking vast te stellen.

De inspecteur wijst dit verzoek af, omdat de termijnen voor het vaststellen van een aanslag en navorderingsaanslag zijn verstreken. Tegen deze afwijzing maakt de bv bezwaar, maar de inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Volgens de bv is deze beslissing wel degelijk voor bezwaar vatbaar, omdat de wet bepaalt dat de inspecteur het verlies bij een voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het bezwaar van de bv ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst naar de wet. De rechtbank benadrukt dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een verliesbeschikking ook kan worden vastgesteld als er geen aanslag is opgelegd, of buiten de reguliere aanslagtermijn.

De wet stelt geen voorwaarden aan de vorm of de termijn van een verzoek tot verliesvaststelling. Dat de bv geen aangiften heeft ingediend of dat de aanslagtermijnen zijn verstreken, staat de vaststelling van een verliesbeschikking niet in de weg. Aangezien de inspecteur tijdens de zitting de hoogte van de verliezen niet meer betwist, stelt de rechtbank zelf de verliesbeschikkingen vast op de door de bv opgegeven bedragen.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:10896 | 11-12-2025

Categorie: Formeel recht

Prijsafspraak bij verkoop aandelen verhindert fiscale eenheid

februari 5, 2026 by VDWB

Een bouwbedrijf investeert via een dochter-bv in een zeeschip en past willekeurige afschrijving toe. De moedermaatschappij voegt de dochter in de fiscale eenheid. Enkele jaren later blijkt dat bij de investering een participatieovereenkomst is gesloten met een prijsafspraak voor de latere verkoop van de aandelen. De inspecteur stelt dat hierdoor nooit een fiscale eenheid tot stand is gekomen. Bezit de moeder wel het economisch eigendom van de aandelen in haar dochter?

Structuur

Een bv staat aan het hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Een gevoegde dochtermaatschappij exploiteert een bouwbedrijf. Deze dochter richt samen met een scheepvaartonderneming een nieuwe vennootschap op om te investeren in een zeeschip. De nieuwe vennootschap treedt als commanditaire vennoot toe tot een cv die het schip exploiteert. De moedermaatschappij verzoekt om voeging van de nieuwe vennootschap in de fiscale eenheid. De inspecteur geeft een beschikking af met ingangsdatum 29 september 2011. Via de fiscale eenheid brengt de moeder de willekeurige afschrijving op het schip en de exploitatieverliezen in aftrek.

Participatieovereenkomst

Na de oprichting sluiten de partijen een participatieovereenkomst. Daarin krijgt de moeder het recht om na drie jaar de aandelen aan de scheepvaartonderneming aan te bieden. De koopprijs wordt berekend volgens een bijgevoegd rekenmodel. Dit model werkt opmerkelijk: bij een hogere taxatiewaarde van het schip daalt de koopprijs voor de aandelen. Een tegengestelde verandering in de waardering van de belastinglatentie matigt namelijk de waardeverandering van het schip. De inspecteur ontdekt de participatieovereenkomst pas tijdens een derdenonderzoek bij de scheepvaartonderneming in 2014.

Economisch eigendom ontbreekt

De inspecteur legt navorderingsaanslagen op. Het gerechtshof oordeelt dat de moeder door de prijsafspraak slechts een beperkt risico van waardeverandering draagt. De moeder bezit daarom niet het economisch eigendom van ten minste 95% van de aandelen. De fiscale eenheid is dus nooit tot stand gekomen. Het gerechtshof verwerpt ook het beroep op het vertrouwensbeginsel. De moeder verstrekt bij het voegingsverzoek onjuiste informatie over het economisch eigendom. Zij had redelijkerwijs moeten weten dat de inspecteur daardoor het verzoek niet goed kon beoordelen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:7779 | 02-12-2025

Categorie: Vennootschapsbelasting

Toch btw-aftrek bij verhuur werkkamer en garage aan eigen bv

februari 5, 2026 by VDWB

Bij dga’s en ondernemers die vanuit huis werken en een ruimte verhuren aan hun bv, neemt de Belastingdienst vaak het standpunt in dat bij enig privégebruik niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur. In een recente uitspraak nuanceert het hof dit. Beslissend is of het verhuurde gedeelte als woning wordt gebruikt. Als het geheel voor meer dan 70% zakelijk wordt gebruikt en niet als woning dient, is een optie belaste verhuur mogelijk. Daarnaast bevestigt het hof dat verhuur aan de eigen bv tegen een marktconforme prijs een economische activiteit vormt.

Verhuur garage aan bv

Een advocaat en zijn partner kopen een stuk grond en laten daarop een woning bouwen. De woning bevat een werkkamer en een garage die naast elkaar liggen en via een tussendeur met elkaar zijn verbonden. De garage beschikt daarnaast over een eigen uitgang naar buiten. Het samenwerkingsverband van de advocaat en zijn partner claimt aftrek van voorbelasting op de bouwkosten. Het verhuurt beide ruimtes aan de bv van de advocaat en in de huurovereenkomst staat dat de verhuur vanaf het begin belast is met btw. De advocaat verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. In de garage staan de auto van de zaak en stukken van de bv opgeslagen. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt.

Optie belaste verhuur

De inspecteur weigert de gevraagde teruggaven. Hij stelt dat er geen sprake is van een economische activiteit, omdat de werkkamer onvoldoende zelfstandig is om aan een willekeurige derde te verhuren. Door het gebruik als woning kan ook niet worden geopteerd voor belaste verhuur. Het hof komt tot een ander oordeel. De wet maakt het mogelijk te kiezen voor belaste verhuur van gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt. Dit geldt volgens het hof ook voor onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning dient. Partijen zijn het erover eens dat de werkkamer en garage onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en één geheel vormen. Het hof oordeelt dat dit geheel hoofdzakelijk door de bv wordt gebruikt én anders dan als woning. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik. Concluderend is het hof van oordeel dat belaste verhuur mogelijk is in deze situatie.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3538 | 09-12-2025

Categorie: Omzetbelasting

Verhoogd eigenwoningforfait van 2,35 % niet in strijd met EVRM

februari 5, 2026 by VDWB

Wie een eigen woning heeft, moet inkomstenbelasting betalen over het zogenaamde eigenwoningforfait. Dit forfait bedraagt 0,35% van de WOZ-waarde van de woning, voor zover deze ligt tussen € 75.000 en de zogenoemde villagrens (€ 1.350.000 in 2026). Is de WOZ-waarde hoger dan de villagrens, dan geldt voor het meerdere een forfait van 2,35%. De verhoging van het forfait (2,35% i.p.v. 0,35%) leidt tot hogere belasting, die wordt aangeduid met de term ‘villatax’. De vraag die de rechter moet beantwoorden, is of deze belasting een ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht maakt.

Twee fiscale partners bezitten een woning met een WOZ-waarde van bijna € 1,7 miljoen. Zij stellen dat dit verhoogde forfait in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het EVRM. De regeling heft immers over inkomen dat niet daadwerkelijk wordt genoten. Bovendien miskent zij het afnemende grensnut bij duurdere woningen. Zij verwijzen naar het Kerstarrest en de arresten over box 3 en betogen dat de redelijke verhouding tussen doel en middel zoek is. Volgt de rechtbank dit betoog?

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het verhoogde eigenwoningforfait niet in strijd is met het EVRM. Het heffen van belasting is weliswaar een inmenging in het eigendomsrecht, maar deze is gerechtvaardigd als zij een legitiem doel dient en een fair balance respecteert. De wetgever heeft bewust gekozen voor een hoger percentage bij duurdere woningen. De gedachte is dat bij woningen boven een bepaalde waarde het beleggingsaspect een verhoudingsgewijs grotere rol speelt dan het bestedingsaspect. De wetgever heeft daarmee een verschil gemaakt tussen eigenaren met een woning onder of boven het grensbedrag. Deze keuze valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt. De rechtbank acht daarbij van belang dat het tarief van 2,35% alleen geldt voor het deel van de waarde boven de villagrens. Dat de wetgever ook budgettaire overwegingen heeft meegewogen, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat wordt geheven over niet-gerealiseerd inkomen leidt niet tot strijdigheid met het EVRM.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:523 en ECLI:NL:RBDHA:2026:569 | 04-01-2026

Categorie: Inkomstenbelasting

Notariële akte bewijst mondelinge schenking van miljoenen

januari 29, 2026 by VDWB

Een vader schenkt in januari certificaten ter waarde van miljoenen aan zijn kinderen. Dit wordt later bevestigd in een notariële akte in april. Volgens de Belastingdienst vindt de schenking pas op dat moment plaats. De notaris bevestigt dat de schenking al mondeling op 24 januari 2018 plaatsvond. Het verschil betekent een forse naheffing. De rechter moet eraan te pas komen om de vraag te beantwoorden wanneer precies de schenking tot stand kwam.

Wat speelde er?

Een vader houdt via zijn holding aandelen in twee bv’s. Deze aandelen verkoopt hij op 24 januari. Een deel van de koopsom bestaat uit aandelen in een andere bv. Diezelfde dag richt vader een stichting op waaraan hij de ontvangen aandelen doorverkoopt. De stichting geeft certificaten uit, die de vader aan zijn drie kinderen schenkt. De zoon doet in september aangifte schenkbelasting over een bedrag van € 2,7 miljoen, met als schenkingsdatum 24 januari. Bij de aangifte voegt hij een notariële akte van 17 april, waarin de notaris bevestigt dat de schenking op 24 januari mondeling heeft plaatsgevonden. De Belastingdienst legt conform deze aangifte een aanslag op.

Belastingdienst draait bij na onderzoek

Jaren later onderzoekt een andere inspecteur de miljoenentransactie. Hij stuit daarbij op een eerdere akte van 13 april, waarin staat dat de vader alle certificaten houdt. De inspecteur concludeert dat de schenking niet in januari, maar pas in april bij de notariële akte plaatsvond. De waarde van de certificaten is dan gestegen. De zoon moet een nieuwe aanslag betalen over € 9,3 miljoen in plaats van over € 2,7 miljoen.

Notaris had instructies vooraf

De rechtbank veegt het argument van de inspecteur, dat de vader volgens de akte van 13 april nog houder was van alle certificaten, van tafel. De ongelukkige formulering in deze akte staat er niet aan in de weg dat de schenking al op 24 januari heeft plaatsgevonden. In de notariële akte van 17 april staat expliciet dat het aanbod tot schenking op 24 januari is gedaan en door de kinderen is aanvaard. In de akte staat precies welke certificaten aan welk kind zijn geschonken op die datum. Cruciaal is een e-mail van 18 januari waarin de notaris instructies ontvangt via een stappenplan voor de op te stellen stukken. Dit bewijst dat de schenking al vóór 24 januari was voorbereid. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de notariële verklaring te twijfelen. Ook de complexiteit van de transactie betekent niet dat mondelinge schenking onmogelijk is.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:24085 | 20-01-2026

Categorie: Successiewet

Zonder klanten geen ondernemer

januari 29, 2026 by VDWB

Een tandarts ontwikkelt een methode om mensen met tandartsangst te behandelen met paarden. Na zes jaar en € 278.000 euro verlies weigert de Belastingdienst verdere aftrek. Het hof bevestigt dat er zonder concrete acquisitieplannen en klanten geen sprake is van een onderneming. De droom blijft een hobby.

Van tandartspraktijk naar paardenmethode

Tot 2017 runt de tandarts een succesvolle praktijk. Ze ontwikkelt een innovatieve methode waarbij paarden worden ingezet bij de behandeling van tandartsangst. In 2015 start ze hiervoor een aparte eenmanszaak. Na verkoop van de tandartspraktijk in 2017 richt ze zich volledig op de paardenmethode. De cijfers zijn dramatisch. Van 2017 tot 2022 draait de onderneming alleen maar verlies. De omzet is miniem: € 589 in 2020, het jaar waarover deze zaak gaat. De tandarts houdt acht paarden, vier pony’s, vijf ezels en diverse honden, maar behandelt nauwelijks cliënten.

Belastingdienst trekt de stekker eruit

In maart 2023 schrijft de inspecteur dat hij de activiteiten vanaf 2020 niet meer als bron van inkomen accepteert. De omzet is minimaal, terwijl de kosten torenhoog zijn. Een redelijke winstverwachting ontbreekt. Het verlies over 2020 mag niet worden afgetrokken. De tandarts protesteert. Ze wijst op haar bedrijfsplan, de mogelijkheden voor behandelsessies, opleidingen en licenties. De coronapandemie heeft roet in het eten gegooid. Bovendien volgt elke innovatie het S-curve-model: eerst verliezen, dan groeien.

Hof: potentieel zonder plan is onvoldoende

Het hof oordeelt dat de tandarts wel heeft uitgelegd wat het opbrengstpotentieel is, maar niet hoe ze dit gaat realiseren. Er zijn geen concrete acquisitieplannen aanwezig. Het merk is geregistreerd, maar dat alleen genereert geen omzet. Ook het in 2020 geschreven boek helpt niet. De tandarts onderbouwt niet hoe dit tot meer klanten leidt. De belangstelling uit de tandheelkundige wereld blijft vaag. Concrete samenwerkingen komen niet van de grond. Het verwachte scenario met licentie-inkomsten en opleidingen blijkt luchtfietserij.

Corona en S-curve redden het niet

Het coronaverweer faalt. Ook na de pandemie blijven de resultaten negatief. In 2023 bedraagt het verlies nog € 6.046. De S-curvetheorie (eerst verliezen bij innovatie, dan groei) overtuigt evenmin. Zonder concrete aanknopingspunten voor succes blijft het wishful thinking. Het houden van paarden en andere dieren maakt nog geen onderneming. Dit kan evengoed privé zijn.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 | 28-10-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 5
  • Pagina 6
  • Pagina 7
  • Pagina 8
  • Pagina 9
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 147
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"