• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Landelijke Landbouwnormen 2018

januari 31, 2019 by VDWB

De Belastingdienst heeft de Landelijke Landbouwnormen 2018 vastgesteld. Dit document bevat normbedragen voor 2018 voor diverse kostenposten, bedrijfsmiddelen en voorraden van agrarische bedrijven. Deze normen gelden alleen voor agrarische activiteiten in Nederland. Ondernemers moeten de normen gebruiken bij de bepaling van de jaarwinst van hun onderneming. De normen 2018 gelden zowel voor de inkomstenbelasting als voor de vennootschapsbelasting voor het kalenderjaar 2018 en voor gebroken boekjaren die beginnen in 2018 en eindigen in 2019. Vanwege de diversiteit van de biologische land- en tuinbouw zijn er voor deze sector geen aparte normen vastgesteld.

De belangrijkste veranderingen in de Landelijke Landbouwnormen 2018 ten opzichte van eerdere jaren zijn het vervallen van de landbouwregeling in de omzetbelasting per 1 januari 2018. Daarom zijn alle bedragen nu vermeld exclusief omzetbelasting. Aan de Landbouwnormen is een onderdeel Melkveefosfaatrechten toegevoegd. Verder zijn voor vleeskuikens normbedragen opgenomen met betrekking tot de reguliere, middensegment en langzaam groeiende vleeskuikens. Tenslotte is een nieuwe tabel opgenomen met normbedragen met betrekking tot vleeskonijnen.

Afwijken van de Landbouwnormen is alleen toegestaan in uitzonderlijke gevallen. De ondernemer moet dan in zijn aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting gemotiveerd aangeven dat hij bij de vaststelling van de winst is afgeweken van de normen.

Bij eigen verbruik en privégebruik is sprake van richtbedragen. Daarvan mag worden afgeweken mits aannemelijk kan worden gemaakt waarom de richtbedragen niet worden toegepast.

Bron: Belastingdienst | publicatie | 31-01-2019

Categorie: Ondernemingswinst

Kamervragen aangifte omzetbelasting

januari 24, 2019 by VDWB

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de aangifte omzetbelasting en de daarmee samenhangende termijnen en verplichtingen beantwoord. Het tijdvak waarover aangifte gedaan kan worden kan een maand, een kwartaal of een jaar zijn. Het tijdvak is normaliter een kwartaal. Het tijdvak kan een kalendermaand zijn als de inspecteur dat nodig acht als de belastingplichtige daarom heeft gevraagd. In bijzondere gevallen kan het tijdvak op een jaar worden gesteld. De aangifte omzetbelasting moet worden gedaan binnen een termijn van ten minste één maand na het einde van het tijdvak. De op de aangifte verschuldigde omzetbelasting moet binnen één maand na het einde van dat tijdvak aan de ontvanger zijn voldaan.

De inspecteur moet binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken reageren op een verzoek om teruggaaf. Volgt de teruggaafbeschikking niet binnen acht weken dan betaalt de inspecteur belastingrente over de periode waarmee de termijn van acht weken is overschreden. Na de teruggaafbeschikking heeft de ontvanger zes weken de tijd om het terug te geven bedrag uit te betalen. Bij te late betaling wordt invorderingsrente vergoed. Normaal betaalt de Belastingdienst de teruggaaf binnen een week na de datum van de teruggaafbeschikking.

Aan een ondernemer die niet, niet geheel of te laat omzetbelasting heeft betaald, kan een naheffingsaanslag worden opgelegd. Wordt een naheffingsaanslag opgelegd na afloop van het kalenderjaar waarop de belasting betrekking heeft, dan kan de Belastingdienst belastingrente in rekening brengen. Dat gebeurt niet als de naheffingsaanslag het gevolg is van een suppletieaangifte die is gedaan binnen drie maanden na het einde van het betreffende kalenderjaar.
Wegens het niet, niet geheel of te laat betalen van de verschuldigde omzetbelasting kan een verzuimboete van ten hoogste € 5.278 worden opgelegd. Bij opzet of grove schuld van de ondernemer kan aan hem een vergrijpboete worden opgelegd. Die kan oplopen tot 100% van het niet of te laat betaalde bedrag. De verzuim- of vergrijpboete wordt in principe gelijktijdig met de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag kan tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan worden opgelegd. Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst bevat beleidsregels voor het opleggen van de verzuim- of vergrijpboete.

Een ondernemer dient een suppletieaangifte in zodra hij heeft geconstateerd dat in de afgelopen vijf kalenderjaren een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald. Een fout van minder dan € 1.000 aan belasting mag in de eerstvolgende aangifte verwerkt worden. Een suppletieaangifte kan leiden tot een naheffingsaanslag omzetbelasting, die binnen veertien dagen na dagtekening van het aanslagbiljet betaald moet worden. Afhankelijk van het tijdstip van indiening wordt een negatieve suppletie behandeld als een bezwaarschrift of als een verzoek om ambtshalve teruggaaf.

Als de Belastingdienst een negatieve btw-aangifte selecteert voor controle, volgt een vragenbrief die de ondernemer binnen drie weken moet beantwoorden. Daarna neemt de Belastingdienst binnen zes weken een standpunt in en kan een vervolgactie worden ingezet, zoals een boekenonderzoek of nadere vragen.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000214414 | 24-01-2019

Categorie: Omzetbelasting

Geen vermindering nageheven parkeerbelasting

januari 24, 2019 by VDWB

In de Gemeentewet is bepaald dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting kan worden berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. De tekst van deze bepaling houdt in dat een naheffing niet behoeft te worden beperkt tot de te weinig betaalde belasting, zoals Hof Arnhem-Leeuwarden onlangs in een procedure heeft geoordeeld.

Volgens de Hoge Raad is uit de totstandkomingsgeschiedenis van het betreffende artikel in de Gemeentewet af te leiden dat de gemeentelijke wetgever de keuze heeft om te bepalen dat forfaitair op basis van een parkeerduur van een uur wordt nageheven of dat wordt nageheven op basis van de werkelijke parkeerduur op het moment van de constatering dat zonder betaling is geparkeerd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd, omdat de gemeente in de gemeentelijke verordening heeft gekozen voor forfaitaire naheffing. De heffingsambtenaar heeft in dit geval terecht de naheffingsaanslag berekend over een parkeerduur van een uur en hoeft het betaalde bedrag van € 1 niet te verrekenen met de naheffingsaanslag.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR201956, Nr. 18/03317 | 24-01-2019

Categorie: Overige heffingen

Opzegging arbeidsovereenkomst door werkgever

januari 24, 2019 by VDWB

Voor opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever is vereist dat er een redelijke grond is voor de opzegging en dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het Burgerlijk Wetboek kent acht gronden voor de beëindiging van een arbeidsovereenkomst. Naar hun rangschikking in het betreffende wetsartikel worden deze gronden aangeduid met de letters a tot en met h. De h-grond wordt in de wet als volgt omschreven: andere omstandigheden dan onder a tot en met g genoemd, die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Een werknemer, wiens arbeidsovereenkomst op de h-grond was ontbonden, klaagde in cassatie dat het gerechtshof ten onrechte die grond aanwezig heeft geacht omdat de werkgever zijn verzoek had gebaseerd op feiten en omstandigheden die tot de a-grond behoren. Dat zou betekenen dat de werkgever aan het UWV toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst had moeten vragen in plaats van een verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter in te dienen. De a-grond heeft betrekking op het vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfsbeëindiging of reorganisatie.

Volgens het gerechtshof is in deze casus voldaan aan de h-grond wanneer blijkt dat herplaatsing in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Het betrof een werknemer die steeds tijdelijk werd ingezet in banen in diverse landen binnen het concern van de werkgever. In een dergelijke situatie vallen de toets van de redelijke grond en die van de herplaatsing samen volgens het hof. De Hoge Raad is het daarmee eens. De h-grond is een algemeen geformuleerde restcategorie. Daardoor kan onder omstandigheden de andere grond zijn de enkele omstandigheid dat herplaatsing niet in de rede ligt. De werknemer had naar vijftien functies binnen het concern van de werkgever gesolliciteerd en een aangeboden passende functie geweigerd.

De in de wet opgenomen herplaatsingsverplichting is geen resultaatverplichting voor de werkgever, maar een inspanningsverplichting tot herplaatsing. Volgens de Hoge Raad gaat het om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevraagd.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR201964, 17/06025 | 24-01-2019

Categorie: Arbeidsrecht

Niet twee keer afschrijven op goodwill

januari 24, 2019 by VDWB

Goodwill, die een ondernemer heeft gekocht, wordt geactiveerd op de balans van de onderneming en vervolgens afgeschreven ten laste van de winst. Is de goodwill afgeschreven, dan kan deze niet nogmaals geactiveerd worden om voor de tweede keer daarop af te schrijven.

Een ondernemer had in het kader van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst recht op een ontbindingsvergoeding van € 45.000. Omdat hij cliënten van zijn oude werkgever overnam moest hij op grond van het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen relatiebeding ruim € 35.000 aan de werkgever betalen. De ondernemer verwerkte het saldo van € 10.000 als onderdeel van zijn winst uit onderneming in het jaar van betaling. De rechtbank oordeelde dat de ondernemer het bruto bedrag van de ontbindingsvergoeding als loon uit dienstbetrekking had moeten verantwoorden en het bedrag van € 35.000 had moeten activeren op zijn balans als goodwill. Door alleen het saldo als inkomen aan te geven heeft de ondernemer de goodwill in feite in één keer afgeschreven. De ondernemer wilde in een later jaar de goodwill alsnog activeren en afschrijven. Hij deed daarvoor een beroep op de zogenaamde foutenleer. De Belastingdienst stond dat niet toe.

Naar het oordeel van de rechtbank was dat terecht. Het is niet mogelijk om de goodwill met een beroep op de foutenleer in een later stadium nogmaals te activeren en vervolgens ten laste van de winst af te schrijven. In hoger beroep oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden in gelijke zin. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof zonder nadere motivering ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR201958, Nr. 17/04862 | 24-01-2019

Categorie: Ondernemingswinst

Schenking kort voor overlijden

januari 24, 2019 by VDWB

Een schenking, die wordt gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van de schenker, wordt aangemerkt als een erfrechtelijke verkrijging. De achtergrond van de wetsbepaling is te voorkomen dat met het doen van schenkingen in het zicht van het overlijden belastingvoordelen worden behaald. De te betalen erfbelasting wordt verminderd met de betaalde schenkbelasting.

De vraag in een procedure was of die vermindering moet worden berekend in de verhouding van het geschonken bedrag tot de totale erfrechtelijke verkrijging of dat het werkelijk betaalde bedrag aan schenkbelasting in mindering komt. De rechtbank vond de door de inspecteur gehanteerde wijze van vermindering met een evenredig deel van de totale erfbelasting niet onjuist. In hoger beroep kwam Hof Arnhem-Leeuwarden tot een ander oordeel dan de rechtbank. Volgens het hof is de tekst van het wetsartikel duidelijk en niet voor twijfel vatbaar. Vermindering met het gehele bedrag aan schenkbelasting is ook niet in strijd met doel en strekking van de wetsbepaling. Desondanks kwam niet het gehele bedrag aan betaalde schenkbelasting in aanmerking. De erfgenaam had in het kalenderjaar voor het overlijden van de erflater twee schenkingen ontvangen, die voor de berekening van de schenkbelasting waren samengeteld. De eerste schenking was echter buiten de 180-dagentermijn gedaan. De belasting, die op deze schenking betrekking had, kwam niet voor verrekening in aanmerking.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL201921, nummer 18/00027 | 24-01-2019

Categorie: Successiewet

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 128
  • Pagina 129
  • Pagina 130
  • Pagina 131
  • Pagina 132
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 146
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"