• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

Omzetbelasting

Adviseur vraagt per ongeluk kleineondernemersregeling aan

december 23, 2025 by VDWB

Een algemene machtiging voor het doen van aangiften omvat volgens de rechtbank óók de bevoegdheid om regelingen zoals de KOR aan te vragen. Ondernemers kunnen zich niet verschuilen achter een fout van hun adviseur. De wettelijke minimumtermijn van drie jaar is strikt. Ook het verlenen van een teruggaaf wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen, zeker niet wanneer beëindiging van de KOR eerder nadrukkelijk is geweigerd.

Naheffing

Een adviseur meldt in november 2019 een van zijn klanten aan voor deelname aan de KOR. Ruim een jaar later verzoekt de adviseur om beëindiging van de KOR. Hij zou de regeling abusievelijk hebben aangevraagd. De inspecteur weigert dit. De adviseur heeft niet het juiste afmeldformulier gebruikt en daarbij is de wettelijke minimumtermijn van drie jaar nog niet verstreken. 

Op 21 mei 2021 verleent de inspecteur, conform de ingediende aangifte over 2020, een teruggaaf. Ruim twee jaar later legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op, bestaande uit de eerder verleende teruggaaf plus de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting.

Was de adviseur wel bevoegd?

De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en ook niemand heeft gemachtigd om dit voor haar te doen. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. De adviseur heeft zelf aangegeven dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd, niet dat hij daartoe niet bevoegd was.

De ondernemer verklaart bij de rechtbank dat zij zich niet kan herinneren dat zij de bevestigingsbrieven heeft gezien, maar dat het in theorie denkbaar is dat zij de brieven heeft ontvangen. Niet blijkt dat zij actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat de ondernemer en haar adviseur oorspronkelijk wel van mening waren dat de adviseur bevoegd was.

Beroep op vertrouwensbeginsel faalt

De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was. De rechtbank oordeelt dat niet blijkt dat de ondernemer voor 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften. Voor 2022 ontvangt zij wel een uitnodiging, maar kort daarna volgt een brief dat deze abusievelijk is verzonden, omdat zij in 2022 nog deelneemt aan de KOR.

Belangrijker in deze uitspraak is dat de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk heeft geweigerd de deelname aan de KOR te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat de ondernemer aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8458 | 30-11-2025

Categorie: Omzetbelasting

Crediteurenakkoord met finale kwijting leidt tot naheffing btw

december 18, 2025 by VDWB

Een bv in financiële nood sluit een akkoord met haar crediteuren. Zij betaalt 20% van de openstaande facturen en krijgt daarvoor finale kwijting. De inspecteur legt een naheffingsaanslag btw op van ruim € 108.000. Volgens hem moet de eerder afgetrokken voorbelasting worden terugbetaald voor zover de facturen niet zijn voldaan. De bv stelt dat finale kwijting juridisch als betaling geldt. Moet de bv de btw terugbetalen? 

Sanering om continuïteit te redden

Eind 2020 kan de bv niet meer aan haar financiële verplichtingen voldoen. Een investeerder is bereid geld te verstrekken, maar stelt als voorwaarde dat de schuldenlast fors wordt gereduceerd. De bv doet haar crediteuren een voorstel. Zij betaalt 20% van elke openstaande vordering en krijgt daarvoor finale kwijting. Het restant wordt kwijtgescholden. Met sommige crediteuren maakt de bv aanvullende afspraken, zoals waarborgsommen, afnameverplichtingen en kortere betalingstermijnen voor toekomstige leveringen. Begin 2021 bereikt de bv met alle crediteuren een akkoord.

Finale kwijting is geen betaling

De rechtbank wijst het standpunt van de bv af. Zodra vaststaat dat zij de vergoeding niet zal betalen, moet de bv de afgetrokken voorbelasting terugbetalen. De rechtbank oordeelt dat hier sprake is van een kwijtschelding. De enkele omstandigheid dat in de akkoordverklaring wordt gesproken over een finale kwijting, maakt niet dat er geen sprake kan zijn van een kwijtschelding.

Aanvullende afspraken helpen niet

De bv betoogt subsidiair dat de aanvullende afspraken met sommige crediteuren een hogere betaling inhouden. Zij wijst op waarborgsommen, afnameverplichtingen en verkorte betalingstermijnen. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt. Uit de stukken is niet af te leiden of partijen een bepaalde waarde aan de voornoemde afspraken hebben toegekend en wat die waarde zou moeten zijn. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat een hoger bedrag is betaald dan de 20% uit het basisakkoord.

Wel pleitbaar standpunt, geen boete

De inspecteur had ook een verzuimboete opgelegd, maar de rechtbank heeft deze vernietigd. Volgens de rechtbank bestaat er onduidelijkheid over de kwalificatie van de met de crediteuren gesloten overeenkomsten en de gevolgen daarvan voor de aftrekbaarheid van de voorbelasting. Het standpunt van de bv was daarom pleitbaar, ook al kreeg zij inhoudelijk ongelijk.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:8088 | 18-11-2025

Categorie: Omzetbelasting

Wel of geen btw bij kortstondig verhuren voor verkoop?

december 11, 2025 by VDWB

Bij overdracht van een onderneming of een zelfstandig deel daarvan hoeft geen btw te worden berekend. Steeds meer projectontwikkelaars verhuren daarom nieuwbouw kort voor verkoop en stellen dat zij een onderneming overdragen. Maar geldt dit ook als het pand puur is ontwikkeld voor verkoop en verhuur slechts dient om de prijs op te drijven? De Hoge Raad twijfelt en legt vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ).

Van kantoor naar appartementen

In 2015 koopt een ontwikkelaar een kantoorpand voor € 2,5 miljoen met het plan om het om te bouwen tot appartementen en te verkopen. Nog vóór de verbouwing schakelt hij een makelaar in om verhuur voor te bereiden, omdat een verhuurd complex meer oplevert. Na de transformatie naar 77 appartementen en 93 parkeerplaatsen in 2017 sluit de ontwikkelaar snel huurcontracten van minimaal een jaar. Een maand later verkoopt hij het complex voor € 12,7 miljoen.

De btw-truc die mogelijk niet werkt

Normaliter moet bij levering van nieuwbouw binnen twee jaar na ingebruikname btw worden betaald. Bij € 12,7 miljoen gaat het om ruim € 2 miljoen btw. De ontwikkelaar probeert dit te vermijden door te stellen dat hij geen vastgoed, maar een verhuuronderneming overdraagt. De Belastingdienst ziet dit anders. Het complex is ontwikkeld voor verkoop, niet voor duurzame exploitatie. Die paar maanden verhuur zijn slechts een trucje om btw te ontwijken en de inspecteur legt een naheffing op.

Gerechtshof geeft ontwikkelaar gelijk

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt verrassend. De huurcontracten en servicecontracten zijn gesloten voordat een koper zich meldde. Op dat moment exploiteert de ontwikkelaar een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Dat de ontwikkelaar misschien altijd al wilde verkopen, doet volgens het hof niet ter zake.

Hoge Raad legt het dilemma aan Europa voor

De Hoge Raad ziet echter een fundamenteel probleem. Moet worden gekeken naar wat feitelijk wordt overgedragen (een verhuurd complex) of naar de intentie van de verkoper (projectontwikkeling voor verkoop)? En hoe zit het met btw-vrijgestelde verhuur van woningen? De Hoge Raad stelt twee vragen aan het HvJ. Ten eerste vraagt de Hoge Raad of de regeling voor de overdracht van een onderneming ook geldt als het vastgoed uitsluitend voor btw-vrijgestelde verhuur werd gebruikt. Ten tweede vraagt de Hoge Raad of de intentie van de ontwikkelaar relevant is, of dat alleen telt dat het pand verhuurd wordt overgedragen.

Vastgoedmarkt wacht in spanning af

Als het HvJ oordeelt dat de intentie niet van belang is, staat de deur wagenwijd open voor btw-planning. Ontwikkelaars kunnen miljoenen besparen door op het juiste moment te handelen. Acht het HvJ de intentie wel relevant, dan worden veel vastgoedtransacties alsnog belast. Voor bestaande geschillen over soortgelijke constructies adviseert de Hoge Raad om procedures aan te houden. Het antwoord van het HvJ wordt richtinggevend voor de vastgoedsector.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2025:1732 | 20-11-2025

Categorie: Omzetbelasting

De kringloop die dacht slim te zijn met btw

november 27, 2025 by VDWB

De margeregeling is volledig van toepassing op kringloopwinkels. Onder de huidige omstandigheden ondervindt de kringloopsector echter weinig tot geen voordeel van de margeregeling. Hun inkoopprijs is vaak nihil, zodat zij btw verschuldigd worden over de gehele verkoopprijs. Een kringloopwinkel dacht de oplossing gevonden te hebben. 

De constructie

Per 1 juli 2022 paste deze kringloopwinkel haar algemene voorwaarden aan. Vanaf die datum was het idee dat de kringloopwinkel goederen zou ‘inkopen’ van brengers. De inkoopprijs werd door de brengers direct terug aan de stichting geschonken. Op papier waren er twee aparte transacties. Een koopovereenkomst en daaropvolgend een schenking. In werkelijkheid werd geen geld uitgewisseld. De algemene voorwaarden hingen bij de kassa en stonden op de website vermeld. De brengers werden echter niet actief geïnformeerd. Sterker nog, tijdens de zitting gaf de gemachtigde aan dat er zo min mogelijk ruchtbaarheid aan de werkwijze werd gegeven. Het kwam in de praktijk vrijwel nooit voor dat een brenger om een vergoeding vroeg of een kwitantie voor de ‘schenking’ wilde.

Staatssecretaris zei toch ja?

De kringloop beroept zich op een notitie van de staatssecretaris, waarin staat dat deze constructie ‘enigszins gekunsteld’ aandoet, maar dat er uit oogpunt van de btw-systematiek weinig bezwaar tegen bestaat. De rechtbank leest echter verder. In dezelfde notitie staan namelijk twee cruciale voorwaarden. De vergoeding moet daadwerkelijk aan de brenger worden verstrekt én de brenger moet volledig vrij zijn om te kiezen. Op dit laatste punt wringt het echter. De algemene voorwaarden maken van de schenking een automatisme. De brenger heeft geen keuze. Bovendien wordt er nooit daadwerkelijk betaald. Alles wordt direct verrekend. Van een vrije keuze of daadwerkelijke betaling is geen sprake.

De economische realiteit

De rechtbank kijkt dwars door de constructie heen naar wat werkelijk gebeurt. Mensen brengen spullen naar de kringloop, zonder te weten dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Niemand verwacht een vergoeding, niemand vraagt erom en niemand krijgt er een. De kringloop wil het zo onopvallend mogelijk houden. Zij wil zo weinig mogelijk voor de goederen betalen. Dit bevestigt wat de rechtbank al vermoedde. Het betreft geen echte transacties, maar een papieren werkelijkheid om btw te besparen. Het oordeel is helder. Zonder daadwerkelijke betaling van een inkoopprijs heeft de kringloopwinkel weinig tot geen voordeel van de margeregeling.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2025:7431 | 02-09-2025

Categorie: Omzetbelasting

Privégebruik blokkeert belaste verhuur werkkamer in eigen woning

november 6, 2025 by VDWB

Verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van btw. Onder voorwaarden kan worden gekozen voor belaste verhuur. Een essentiële voorwaarde hierbij is dat het verhuurde niet als woning wordt gebruikt. Elke mate van gebruik als woning staat aan belaste verhuur in de weg. Een 90%-regel bestaat niet.

Verhuur werkkamer

Een man en vrouw laten samen een woning bouwen met vier verdiepingen en een werkkamer op de derde verdieping. De man is directeur van een vennootschap. Het samenwerkingsverband van beide partners verhuurt vanaf mei 2020 de werkkamer, de hallen op drie verdiepingen, een toilet en een parkeerplaats aan deze vennootschap. Het samenwerkingsverband stelt dat de verhuur een economische activiteit is en dat bij belaste verhuur enig privégebruik is toegestaan, mits de ruimtes voor minimaal 90% zakelijk worden gebruikt. Ze vragen de btw op de bouwkosten terug. De inspecteur weigert, omdat de ruimtes ook privé worden gebruikt.

Economische activiteit 

Het hof oordeelt dat er sprake is van een economische activiteit. Dat de verhuur mogelijk niet zou plaatsvinden als de man niet voor de vennootschap werkte, betekent volgens het hof niet dat de verhuur geen zelfstandige activiteit is.

Belaste verhuur 

Het hof oordeelt dat het samenwerkingsverband niet aan de voorwaarden voor belaste verhuur voldoet. Uit de huurovereenkomst blijkt dat het gehuurde ook ruimtes omvat die in gebruik zijn bij het gezin, namelijk de hallen en het toilet. Daarmee staat vast dat het gehuurde tevens als woning wordt gebruikt. Alleen al daarom is belaste verhuur niet mogelijk. Ook als alleen de werkkamer zou zijn verhuurd, is belaste verhuur niet mogelijk. Op deze verdieping staan immers ook de wasmachine en wasdroger die het gezin privé gebruikt. De stelling dat bij belaste verhuur enig privégebruik is toegestaan mits het gehuurde voor minimaal 90% zakelijk wordt gebruikt, vindt volgens het hof geen steun in het recht.

Parkeerplaats wel?

Verhuur van parkeerruimte is normaal niet vrijgesteld. De vraag is of de parkeerplaats afzonderlijk belast kan worden verhuurd. Het hof oordeelt van niet. Waar economisch gesproken één dienst wordt verleend, mag deze niet kunstmatig worden gesplitst. In dit geval hangt het gebruik van de parkeerplaats nauw samen met het gebruik van de werkkamer. Er is sprake van één economische prestatie, waarvan het gebruik van de woonruimtes het kenmerkende element vormt.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:2476 | 09-09-2025

Categorie: Omzetbelasting

Geen uitnodiging, toch verplicht btw betalen

oktober 30, 2025 by VDWB

Een onderneemster probeert een betaalverzuimboete af te wenden door te stellen dat ze niet kan betalen vanwege het feit dat de Belastingdienst haar niet heeft uitgenodigd om aangifte te doen. De rechter verwerpt dit argument. Wie weet dat er btw verschuldigd is, moet zelf zorgen voor aangifte en betaling. De Belastingdienst hoeft daar niet eerst op te wijzen. De rechter verlaagt wel de opgelegde boete, omdat het een eenmalig incident betreft, waarvan de onderneemster heeft geleerd.

Scheepsmanager betaalt geen btw

Een onderneemster in scheepsmanagement is over 2020 en 2021 respectievelijk € 21.506 en € 23.294 aan btw verschuldigd. Toch dient zij geen aangiftes in en blijft de betaling uit. De Belastingdienst ontdekte dit door haar aangiften vennootschapsbelasting te vergelijken met de ontbrekende btw-aangiftes. In februari 2024 legt de inspecteur een naheffingsaanslag op met belastingrente en een betaalverzuimboete van € 4.480.

Geen betalingskenmerk, geen betaling

De onderneemster betoogt dat ze de btw niet kon betalen zonder betalingskenmerk. De Belastingdienst stort betalingen zonder kenmerk terug. Volgens haar heeft zij via haar adviseur in 2020 een verzoek aan de inspecteur gedaan om een uitnodiging tot het doen van aangifte te ontvangen, maar die uitnodiging bleef uit. Ze stelt dat het niet-betalen haar daarom niet kan worden aangerekend.

Onvoldoende inspanning

De inspecteur erkent dat betalen zonder betalingskenmerk problematisch is, maar ontkent dat hij via haar adviseur ooit een verzoek om uitnodiging heeft ontvangen. Volgens hem heeft de onderneemster onvoldoende inspanning geleverd om tot correcte aangifte en betaling te komen.

Actieve houding vereist

De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. De onderneemster wist op basis van haar eigen aangiften dat omzetbelasting verschuldigd was. Dat legt een actieve verplichting op om te zorgen voor aangifte én betaling. Een enkele brief aan de Belastingdienst is onvoldoende. Zelfs als het verzoek via de adviseur wel was verstuurd, had zij actie moeten ondernemen toen een reactie uitbleef.

Lagere boete

De rechtbank vindt de boete wel te hoog, aangezien het gaat om een eenmalig incident. Nadat de inspecteur de onderneemster heeft gewezen op haar verzuim, is ze haar verplichtingen steeds correct nagekomen. Ze heeft dus geleerd van de situatie. Daarom is een boete van € 1.500 passender.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2025:4073 | 08-10-2025

Categorie: Omzetbelasting

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 13
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"