• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

B&B-eigenaren winnen zaak over kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

augustus 8, 2024 by VDWB

Een echtpaar, dat gezamenlijk een bed & breakfast (B&B) exploiteert in een vof, heeft in hun aangifte inkomstenbelasting aanspraak gemaakt op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) voor investeringen in de gastenkamers. De inspecteur betwist dit en legt een navorderingsaanslag op. De centrale vraag is of het echtpaar recht heeft op deze aftrek. Hoe oordeelt het hof?

De B&B van het echtpaar beschikt over drie gastenkamers met elk een eigen sanitaire voorziening en een gezamenlijke toegang. Daarnaast is er een gemeenschappelijke ruimte, waar de gasten kunnen ontbijten. In hun aangifte inkomstenbelasting heeft het echtpaar de KIA van de winst afgetrokken, ervan uitgaande dat ze hiervoor in aanmerking komen. De aanslag van de ene echtgenoot is vastgesteld conform de ingediende aangifte. Bij de behandeling van de aangifte van de andere echtgenoot heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat het echtpaar geen recht heeft op de KIA omdat is geïnvesteerd in een woonhuis. Dergelijke investeringen zijn uitgezonderd van de KIA. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag opgelegd om de toegekende KIA ongedaan te maken. Het echtpaar diende een bezwaarschrift in, maar de inspecteur verklaarde dit ongegrond. Hierop gingen ze in beroep bij de rechtbank, die hun beroep gegrond verklaarde. De inspecteur ging niet akkoord met het vonnis van de rechtbank en ging in hoger beroep. De vraag die het hof moest beantwoorden is of de gastenkamers van de B&B moeten worden beschouwd als woonhuizen of gedeelten van andere zaken die voor bewoning bestemd zijn.

Het hof is van oordeel dat de gastenkamers geen opstallen zijn, die naar aard en inrichting als woningen bestemd zijn. Een belangrijke overweging hierbij is dat de gastenkamers niet over een eigen woonkamer en keuken beschikken, waardoor de gasten niet in staat zijn zelf maaltijden te bereiden. De badkamers in de gastenkamers zijn als inbouwcabines ingebouwd en bieden slechts minimale voorzieningen. Het hof concludeert dat de gastenkamers niet onder de definitie van woonhuizen vallen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat het echtpaar daarom recht heeft op de KIA.

Bent u eigenaar van een B&B of overweegt u uw woning te verbouwen om een B&B te starten? Neem dan contact met ons op om te bespreken hoe u, met de juiste informatie, aanspraak kunt maken op KIA voor uw investeringen. Met de juiste voorbereiding kunt u wellicht ook profiteren van dit fiscale voordeel.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20242142, 22/1527 | 02-07-2024

Categorie: Ondernemingswinst

De sleutel tot het behoud van zelfstandigenaftrek

augustus 8, 2024 by VDWB

Een juridisch dienstverlener diende een aangifte inkomstenbelasting in over 2019 en claimde daarin de zelfstandigenaftrek. De inspecteur wijkt af van de aangifte inkomstenbelasting, kent de zelfstandigenaftrek niet toe en stelt het inkomen vast op € 3.370. Zowel voor de rechtbank als het hof was de centrale vraag of de ondernemer recht heeft op de zelfstandigenaftrek.

De aangifte

De ondernemer gaf in zijn aangifte inkomstenbelasting aan, dat het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) € 2.639 bedraagt. Hoe dit inkomen is berekend, is niet duidelijk. De aangegeven winst uit onderneming is € 850. Na aftrek van de zelfstandigenaftrek resulteert een inkomen van € 0 in box 1.

Bewijslast

Na correspondentie tussen de inspecteur en de belastingplichtige, concludeert de inspecteur dat de ondernemer niet heeft aangetoond dat en hoe hij ten minste 1.225 uren in en aan zijn onderneming heeft besteed. Dit is het vereiste voor het toekennen van de zelfstandigenaftrek. Zowel de rechtbank als het hof oordeelde dat de ondernemer niet aan het urencriterium heeft voldaan.

De agenda

De ondernemer heeft zijn agenda, waarin staat dat hij 1.795 uren aan zijn onderneming heeft gewerkt, overgelegd. De rechtbank en het hof oordeelden echter dat, hoewel de ondernemer 1.795 uren in zijn agenda heeft opgenomen, onduidelijk is waaraan deze uren zijn besteed. Omdat het een aftrekpost betreft, moet de ondernemer dit inhoudelijk kunnen aantonen. Hier wringt de schoen.

Onvoldoende specifiek

Het is voor de rechtbank en het hof onduidelijk wanneer de urenverantwoording in de agenda van de ondernemer is opgesteld. Het overgelegde overzicht is te globaal van aard. Er zijn voornamelijk categorieën beschreven, zoals marktoriëntatie, diverse internetactiviteiten, post ophalen, website en administratie. Per dag is per tijdsblok aangegeven dat aan een aantal van deze activiteiten tijd is besteed. De weergave van deze tijdsbesteding is voor veel dagen identiek. Zonder onderbouwing met nadere bewijsstukken is het voor de rechtbank en het hof onduidelijk waar de opgevoerde uren concreet betrekking op hebben en is nagenoeg geen enkel uur te verifiëren.

Tip: hoe vermijdt u problemen met de urenregistratie?

Een lage omzet hoeft op zich niet te betekenen dat u geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek. U maakt het de inspecteur erg makkelijk als u, zoals deze ondernemer, de urenregistratie te algemeen opstelt. Leg duidelijk vast wat u tijdens bepaalde uren heeft gedaan en vermijd algemene omschrijvingen. Dus niet ‘administratie’, maar bijvoorbeeld ‘bank geboekt’, ‘herinneringen aan debiteuren verstuurd’ en ‘inkoopfacturen geboekt’. Zo is duidelijk waar u de uren aan hebt besteed. Daarnaast is het aan te raden een brief te schrijven, waarin u uitlegt waar u zo druk mee bent geweest. Dit helpt de inspecteur en eventueel een rechter een beter inzicht te krijgen in de ondernemer en de bestede uren.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20242041, 23/1209 | 27-05-2024

Categorie: Inkomstenbelasting

Terugvragen in andere lidstaat betaalde omzetbelasting

augustus 1, 2024 by VDWB

Ondernemers, die in 2023 in een ander EU-land omzetbelasting hebben betaald, kunnen deze terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2023 moet vóór 1 oktober 2024 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst: https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Verzoeken, die later binnenkomen, worden mogelijk niet in behandeling genomen. Voor een verzoek om teruggaaf zijn inloggegevens nodig. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd.

Voorwaarden verzoek teruggaaf

Om btw uit een ander EU-land terug te vragen moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan:

  • de onderneming is in Nederland gevestigd;
  • de btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt;
  • de onderneming doet in het EU-land, waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.

Verzoek om teruggaaf niet mogelijk

Een verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk als:

  • geen sprake is van ondernemerschap voor de btw; of
  • de onderneming uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht.

Behandeling verzoek

De Belastingdienst van het EU-land, waar de btw wordt teruggevraagd, moet binnen vier maanden bij beschikking reageren op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek kan geheel of gedeeltelijk worden goedgekeurd of afgekeurd worden. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden.

Drempelbedragen

Voor een verzoek om teruggaaf van buitenlandse btw gelden drempelbedragen. Voor een verzoek over een heel kalenderjaar of het resterende deel van een kalenderjaar geldt een drempelbedrag van € 50. Voor een verzoek over minder dan een kalenderjaar maar over ten minste drie maanden geldt een drempelbedrag van € 400.

Bijlagen bij verzoek

Afhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd.

Bron: Belastingdienst | publicatie | 29-07-2024

Categorie: Omzetbelasting

Internetconsultatie eenmalig niet-indexeren maximum uurprijs kinderopvangtoeslag in 2026

augustus 1, 2024 by VDWB

In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om de maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag eenmalig niet te indexeren in 2026. De maximum uurprijs is het hoogste tarief waarover ouders kinderopvangtoeslag krijgen. Omdat de Wet kinderopvang niet de mogelijkheid heeft om af te zien van indexatie is een wetswijziging nodig. Het wetsvoorstel waarin deze wijziging is opgenomen is op het internet gepubliceerd ter consultatie. Reageren kan via www.internetconsultatie.nl.

Volgens het kabinet zal de betaalbaarheid van kinderopvang in 2026 voor de meeste ouders naar verwachting toenemen, ondanks het niet-indexeren van de maximum uurprijs. In de aanloop naar een nieuw financieringsstelsel krijgen veel ouders een steeds groter deel van de kosten voor kinderopvang vergoed. In het nieuwe stelsel geldt voor iedereen een vergoeding van 96% van de maximum uurprijs. Huishoudens, die nu al recht hebben op het maximale vergoedingspercentage, zijn in 2026 netto meer kwijt voor kinderopvang wanneer kinderopvangorganisaties hun tarieven verhogen tot boven de maximum uurprijs.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetsvoorstel | 29-07-2024

Categorie: Toeslagen

Verhoging budget en tweede openstelling AanZet

augustus 1, 2024 by VDWB

De minister van I en W heeft de subsidieregeling voor de aanschaf van zero-emissietrucks (AanZET) gewijzigd. Er komt een tweede openstellingsperiode in 2024, van 1 tot en met 8 oktober. Voor deze extra openstelling is een budget van € 22,2 miljoen beschikbaar. Naar verwachting kunnen met dit budget circa 300 emissievrije vrachtwagens worden gesubsidieerd. Bij de eerste openstelling in maart 2024 was het beschikbare budget van € 45 miljoen binnen drie dagen vergeven.

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat | besluit | Staatscourant 2024, Nr. 23818, nr. IENW/BSK-2024/178885 | 25-07-2024

Categorie: Subsidies

Hoge Raad oordeelt over btw-heffing voor besnijdenissen

juli 25, 2024 by VDWB

In een recente uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de toepassing van de vrijstelling van btw voor medische prestaties op besnijdenissen om niet-medische redenen, zoals religieuze, culturele en hygiënische redenen. De procedure betrof een bedrijf, dat besnijdenissen uitvoert bij jongens en mannen, zowel om medische als om niet-medische redenen. De vraag was of de besnijdenissen in alle gevallen onder de vrijstelling vallen.

Een bv voerde in 2012 besnijdenissen uit zonder hierover btw af te dragen. Het bedrijf stelde dat deze ingrepen, vanwege hun preventieve gezondheidsvoordelen, vrijgesteld waren van btw. De Belastingdienst is echter van mening dat alleen besnijdenissen met een medische indicatie vrijgesteld zijn van btw. Het hof besloot eerder dat besnijdenissen om niet-medische redenen niet onder de medische vrijstelling vallen. Het hof oordeelde dat deze besnijdenissen niet primair een therapeutisch doel hebben. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en benadrukt dat een medische behandeling alleen vrijgesteld is als deze een direct gezondheidsdoel heeft.

De Hoge Raad legt uit dat volgens de Btw-richtlijn alleen diensten met een therapeutisch doel zijn vrijgesteld van btw. Dat volgt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Besnijdenissen, die om religieuze, culturele of hygiënische redenen worden uitgevoerd, voldoen niet aan dit criterium, zelfs niet als er mogelijke gezondheidsvoordelen zijn.

Deze uitspraak van de Hoge Raad maakt duidelijk hoe de medische vrijstelling in de btw-wetgeving moet worden uitgelegd. De nadruk ligt op het feitelijke doel van de ingreep zoals bepaald door medische standaarden, niet door de persoonlijke motieven van de patiënt. Dit betekent dat medische professionals en klinieken nauwkeurig moeten documenteren en verantwoorden waarom een ingreep plaatsvindt om te bepalen of deze vrijgesteld is van btw. Met deze uitspraak wordt de rechtsonzekerheid verminderd en krijgen zowel medische professionals als belastingautoriteiten duidelijke richtlijnen over welke medische diensten vrijgesteld zijn van btw in Nederland.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20241063, 22/02061 | 11-07-2024

Categorie: Omzetbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 72
  • Pagina 73
  • Pagina 74
  • Pagina 75
  • Pagina 76
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 153
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"