• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Werkgever voldoet niet aan herplaatsingsvereiste

december 13, 2018 by VDWB

Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als er een redelijke grond voor is, op voorwaarde dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn in een andere passende functie niet mogelijk is. Er bestaat een redelijke grond als om bedrijfseconomische redenen arbeidsplaatsen moeten vervallen. De redelijke termijn voor herplaatsing is gelijk aan de opzegtermijn die de werkgever voor de werknemer in acht moet nemen. Er is sprake van een passende functie wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Voor de beoordeling of een passende functie beschikbaar is, wordt gekeken naar bestaande vacatures en vacatures die binnen de redelijke termijn zullen ontstaan.

In het kader van het herplaatsingsvereiste wordt van een werkgever verwacht dat hij actief onderzoekt of herplaatsing in een passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, mogelijk is. Het herplaatsingsvereiste strekt zich in voorkomende gevallen uit over het gehele concern waartoe het bedrijf van de werkgever behoort. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer te herplaatsen en daarmee diens ontslag te voorkomen.

Hof Den Bosch oordeelde in een procedure dat de werkgever onvoldoende actief was geweest om een werknemer te herplaatsen. De werkgever maakte deel uit van een wereldwijd concern, maar had zich beperkt tot vacatures in Nederland. Het UWV had de werkgever erop gewezen dat hij een overzicht van vacatures van alle ondernemingen van het concern over had moeten leggen en moeten nagaan of de werknemer bereid was om naar het buitenland te gaan. Omdat de werkgever niet aan het herplaatsingsvereiste had voldaan wees het hof het verzoek van de werkgever om een datum te bepalen, waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, af.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20185118, 200.238.205/01 | 13-12-2018

Categorie: Arbeidsrecht

Navordering wegens kwade trouw

december 7, 2018 by VDWB

Navordering van belasting is mogelijk wanneer de Belastingdienst beschikt over een nieuw feit of ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is. Een belastingplichtige is te kwader trouw wanneer hij de inspecteur opzettelijk de juiste gegevens of inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen heeft verstrekt. Dat doet zich voor als de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist dat de aanslag te laag zou worden vastgesteld wanneer deze aangifte zou worden gevolgd.

Indien de belastingplichtige een eerder ingediende aangifte wijzigt of aanvult voordat de inspecteur de definitieve aanslag heeft vastgesteld, moet mede op basis van de gewijzigde of aangevulde aangifte worden beoordeeld of de belastingplichtige te kwader trouw is. Volgens de Hoge Raad is dat niet anders als de inspecteur de gewijzigde aangifte als een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag heeft behandeld. De Hoge Raad kwam tot deze uitspraak in een zaak van iemand die een tweede aangifte had ingediend nadat hij van zijn werkgever en zijn belastingadviseur had gehoord dat hij de opbrengst van een winstdelende lening moest aangeven in box 1 als voordeel uit lucratief belang. Door dit voordeel niet op te nemen in de tweede aangifte heeft de belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aan de inspecteur niet de juiste gegevens heeft verstrekt. Volgens de Hoge Raad heeft Hof Den Haag eerder in de procedure de belanghebbende terecht als zijnde te kwader trouw aangemerkt, zodat de inspecteur het recht had om na te vorderen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20182198, Nr. 17/05953 | 07-12-2018

Categorie: Formeel recht

Verkrijging aandelen onroerendgoed-bv

december 5, 2018 by VDWB

Bij de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. Aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen grotendeels bestaan uit onroerende zaken, worden aangemerkt als onroerende zaak. Dat geldt alleen als de activiteiten van de rechtspersoon bestaan uit het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van onroerende zaken. De maatstaf van heffing bij de verkrijging van aandelen in een dergelijke rechtspersoon is niet de waarde van de aandelen, maar de waarde van de onroerende zaken die door die aandelen wordt vertegenwoordigd. De achtergrond van deze bijzondere regeling is voorkomen dat de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan door de inbreng van een onroerende zaak in een rechtspersoon, waarvan de aandelen worden overgedragen.

Er geldt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging door een kind van een ondernemer van goederen die behoren tot de onderneming als het kind de bedrijfsvoering voortzet. Deze vrijstelling moet fiscale belemmeringen voor de overdracht van een onderneming van ouders aan hun kinderen wegnemen.

Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de verkrijging van de aandelen in een onroerendgoed-bv door de zoon van de dga is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De bv dreef een materiële onderneming. Wanneer de vastgoedportefeuille van de bv als eenmanszaak zou zijn gedreven, was de overdracht van de onderneming vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Volgens het hof is met de wetsfictie, die aandelen aanmerkt als een onroerende zaak, niet bedoeld om belasting te heffen in een geval waarin verkrijging van de onroerende zaak zelf zou zijn vrijgesteld.

Hof Amsterdam kwam in een vergelijkbare procedure tot hetzelfde oordeel.

De Hoge Raad heeft de beroepen in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraken van beide hoven ongegrond verklaard.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20182110, Nr. 17/04543 en ECLINLHR20182200, Nr. 18/02567 | 05-12-2018

Categorie: Overdrachtsbelasting

Premiepercentage Zvw 2019

november 29, 2018 by VDWB

De zorgverzekeringswet (Zvw) kent een hoge en een lage inkomensafhankelijke bijdrage. De hoge premie voor de zorgverzekeringswet bedraagt in 2019 6,95%. In 2018 bedraagt deze premie 6,9%. De hoge premie wordt geheven van werkgevers over het loon van werknemers. De lage premie stijgt van 5,65% in 2018 naar 5,7% in 2019. De lage premie geldt voor onder meer zelfstandige ondernemers, dga’s en AOW’ers. De premie wordt geheven over het bijdrageloon c.q. bijdrage-inkomen. Dat kent in 2019 een maximum van € 55.927. Dit bedrag is gelijk aan het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen.

Bron: Overig | besluit | Staatscourant 2018 nr. 65239 | 29-11-2018

Categorie: Sociale verzekeringen

Vernieuwing rulingpraktijk

november 29, 2018 by VDWB

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de vernieuwde rulingpraktijk uiteengezet. De vernieuwing omvat de volgende maatregelen.

  • De Belastingdienst publiceert van elke afgegeven internationale ruling een geanonimiseerde samenvatting.
  • De Belastingdienst publiceert in een jaarverslag alle rulings met een internationaal karakter.
  • Alle rulings met een internationaal karakter worden periodiek onderzocht door onafhankelijke experts.
  • In het jaarverslag zal worden ingegaan op belangrijke vragen die dat jaar in de uitvoering zijn beantwoord zodat deze breed bekend worden gemaakt.
  • De afgifte van rulings met een internationaal karakter wordt binnen de Belastingdienst centraal gecoördineerd. Er komt een apart College Internationale Fiscale Zekerheid dat de vereiste tweede handtekening zet onder af te geven rulings.
  • Er komt een strengere norm waaraan belastingplichtigen moeten voldoen om een ruling met internationaal karakter te krijgen. De huidige substance-eisen worden vervangen door het vereiste van reële bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland.
  • De Belastingdienst gaat meer letten op het doel van de structuur waarvoor een ruling wordt gevraagd. Er wordt geen ruling afgegeven als het doorslaggevende motief belastingbesparing is.
  • Rulings met een internationaal karakter worden afgegeven voor maximaal vijf jaar. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de looptijd worden verlengd tot maximaal tien jaar.
  • Er komt een vaste vormgeving voor alle rulings met een internationaal karakter.
  • De Belastingdienst geeft in de toekomst geen rulings af over transacties met entiteiten in landen die op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden staan of die kwalificeren als laagbelastend land.

De staatssecretaris wil deze wijzigingen per 1 juli 2019 doorvoeren en in laten gaan.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 29-11-2018

Categorie: Internationaal

Schade werknemer gevolg van arbeidsongeval

november 29, 2018 by VDWB

De werkgever is in beginsel aansprakelijk voor schade die de werknemer tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden oploopt. Dat geldt ook voor de schade die het gevolg is van een ongeval. De werknemer die vergoeding van de door hem geleden schade vordert, zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werknemer hoeft echter niet aan te tonen wat de toedracht of de oorzaak is geweest van het ongeval. Wel moet hij de omvang van de geleden schade stellen en bewijzen. De werkgever is niet aansprakelijk voor de schade van de werknemer als hij kan aantonen dat hij zijn zorgverplichting is nagekomen.

Hof Den Haag oordeelde in een voorkomend geval dat voldoende aannemelijk was geworden dat een werknemer tijdens zijn werk een ongeval was overkomen waardoor hij schade had geleden. Niemand had het ongeval horen of zien gebeuren. De werknemer had geen zichtbaar letsel en is na een bezoek aan het ziekenhuis de volgende dag weer komen werken. De leidinggevende van de werknemer bevestigde dat de werknemer hem had gemeld dat hij tijdens sloopwerkzaamheden zijn pols had bezeerd omdat er iets op was gevallen. De leidinggevende bevestigde eveneens dat de werknemer naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis was gegaan. Dat bleek ook uit een rapportage van het ziekenhuis.
De werkgever had volgens het hof niet aan zijn zorgplicht voldaan door geen specifieke werkinstructie te geven voor de te verrichten sloopwerkzaamheden. Het hof wees erop dat een werkgever rekening moet houden met het ervaringsfeit van mogelijke onoplettendheid van een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Aan het voorschrift van het Arbobesluit dat plaatsen waar door de aard van het werk gevaar is voor vallende voorwerpen gemarkeerd moeten worden was niet voldaan. Ook aan het voorschrift dat het gevaar om te worden geraakt door voorwerpen moet worden voorkomen was niet voldaan.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20182284, 200.204.616/01 | 29-11-2018

Categorie: Arbeidsrecht

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 133
  • Pagina 134
  • Pagina 135
  • Pagina 136
  • Pagina 137
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 146
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"