• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Zelfstandig ondernemer of toch resultaatgenieter?

maart 13, 2025 by VDWB

Een belastingplichtige voert drie activiteiten uit: boekhouden, kavelhandel en loodgieterswerk in Duitsland. Hoewel hij zichzelf als ondernemer beschouwt, oordeelt de Belastingdienst anders. De inspecteur kwalificeert zijn inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden. Bovendien weigert hij de huisvestingskosten in aftrek te brengen en accepteert hij de zelfstandigenaftrek niet.

Geen ondernemer

De rechtbank bevestigt het standpunt van de Belastingdienst om verschillende redenen:

  1. Beperkte zakelijke structuur. Bij alle drie de activiteiten was er slechts één opdrachtgever en ontbraken plannen voor uitbreiding. Dit wijst meer op incidentele werkzaamheden dan op een echte onderneming.
  2. Minimale activiteit. De boekhoudwerkzaamheden genereerden een zeer bescheiden omzet van slechts € 867,79, met minimale tijdsbesteding. De kavelhandel leverde in 2019 zelfs helemaal geen omzet op.
  3. Onvoldoende onderbouwing. De belastingplichtige kan zijn positie als ondernemer niet voldoende onderbouwen. Hij verwijst alleen naar het verleden, wat de rechtbank onvoldoende vindt.

Vertrouwensbeginsel biedt geen uitkomst

Een interessant aspect van deze zaak was het beroep op het vertrouwensbeginsel. De belastingplichtige stelt dat de Belastingdienst tijdens een eerder boekenonderzoek (2009-2013) zijn activiteiten wél als onderneming had erkend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De werkzaamheden in 2019 verschillen wezenlijk van die uit 2009-2013. Bovendien betrof het eerdere standpunt van de Belastingdienst alleen de kavelhandel, terwijl juist daarin geen omzet is behaald in 2019.

Huisvestingskosten: strenge bewijslast

De belastingplichtige claimt volledige aftrek van zijn huisvestingskosten, omdat zijn woning in 2019 volgens hem uitsluitend diende als opslag en kantoor. Als bewijs toont hij foto's van dozen met papieren en stellingkasten in zijn woonkamer. De foto’s maken volgens de rechtbank niet aannemelijk dat de gehele woning uitsluitend zakelijk werd gebruikt. De belastingplichtige bewijst niet dat hij in Duitsland woonde of dat sprake is van een zelfstandige werkruimte die voldoet aan de wettelijke vereisten.

Conclusie

Het onderscheid tussen winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden heeft grote fiscale gevolgen. De ondernemer profiteert van diverse fiscale voordelen, zoals de zelfstandigenaftrek, die niet beschikbaar zijn bij resultaat uit overige werkzaamheden. Deze rechtszaak toont dat de Belastingdienst kritisch kijkt naar de werkelijke aard van de activiteiten. Een eerdere erkenning als ondernemer biedt geen garantie voor de toekomst als de werkzaamheden veranderen. Zorg daarom voor een goede onderbouwing van het ondernemerschap en blijf voldoen aan de criteria die de Belastingdienst hanteert. Zo optimaliseer je de fiscale voordelen en verklein je de kans op onaangename verrassingen bij een controle.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2024:3522 | 09-09-2024

Categorie: Inkomstenbelasting

Met een geschorst voertuig de weg op? Tijdens evenementen kan dat

maart 6, 2025 by VDWB

Met een geschorst motorrijtuig van 15 jaar of ouder, zoals een oldtimer, kan toch onder bepaalde voorwaarden worden gereden. Dit kan dankzij de evenementenregeling, waarbij rijden tijdens goedgekeurde evenementen is toegestaan zonder de schorsing op te heffen. Goedgekeurde evenementen zijn herdenkingen, optochten, corso’s en andere speciale bijeenkomsten.

Hoe werkt het?

De organisator moet het evenement minimaal twee maanden van tevoren aanmelden bij de Belastingdienst. Als het evenement is goedgekeurd, kan de eigenaar zijn voertuig vervolgens aanmelden bij de organisator en kan de regeling ingaan.  

Voorwaarden

Gebruikmaken van de evenementenregeling is mogelijk onder de volgende voorwaarden:

  • De organisator meldt het evenement aan bij de Belastingdienst.
  • Het motorrijtuig moet verzekerd zijn.
  • Het motorrijtuig mag alleen voor het evenement worden gebruikt.
  • Deelname is beperkt tot maximaal vier evenementen per kalenderjaar.    
  • De evenementenregeling kan maximaal acht dagen per kalenderjaar worden toegepast.
Bron: Belastingdienst | persbericht | 24-02-2025

Categorie: Autobelastingen

Hoge Raad in Uber-zaak: chauffeurs kunnen zowel zelfstandigen als werknemers zijn

maart 6, 2025 by VDWB

De Hoge Raad heeft een aantal juridische vragen beantwoord in de rechtszaak tussen Uber en vakbond FNV. De vakbond eist dat Uber de CAO Taxivervoer toepast op alle chauffeurs, omdat zij volgens de FNV eigenlijk werknemers zijn en geen zelfstandigen. Het gerechtshof Amsterdam twijfelde over een aantal juridische vragen en legde deze voor aan de Hoge Raad.

Wanneer is iemand een werknemer en wanneer een zelfstandige?

De belangrijkste vraag in deze zaak is of je Uber-chauffeurs als werknemers of als zelfstandige ondernemers moet beschouwen? De Hoge Raad oordeelt hierover als volgt:

  • het feit dat iemand zich als ondernemer gedraagt, kan doorslaggevend zijn;
  • twee chauffeurs die hetzelfde werk doen voor Uber, kunnen toch een verschillende juridische status hebben;
  • voor de beoordeling telt niet alleen wat er gebeurt binnen de relatie met Uber, maar ook wat chauffeurs daarbuiten doen:
    • binnen de relatie met Uber: hoeveel vrijheid heeft de chauffeur, loopt hij commercieel risico, heeft hij invloed op de prijzen?
    • buiten de relatie met Uber: werkt de chauffeur ook voor anderen, doet hij aan acquisitie, hoe presenteert hij zich fiscaal, heeft hij geïnvesteerd in zijn onderneming?

Dit betekent concreet het volgende: als chauffeur A alleen voor Uber rijdt, geen bedrijfsinvesteringen doet en weinig risico loopt, kan hij als werknemer worden gezien. Maar als chauffeur B voor meerdere platforms rijdt, zelf heeft geïnvesteerd in zijn auto, zakelijke verzekeringen heeft afgesloten en zich naar klanten toe als ondernemer presenteert, kan hij als zelfstandige worden beschouwd – ook al zijn de afspraken met Uber en de werkzaamheden precies hetzelfde.

Wat betekent dit in de praktijk voor Uber-chauffeurs?

  1. Geen one-size-fits-all-oplossing: niet alle Uber-chauffeurs zullen automatisch als werknemer of als zelfstandige worden beschouwd. Er zal gekeken worden naar hun individuele situatie.
  2. Ondernemerschap weegt zwaar: chauffeurs die zich echt als ondernemer gedragen (meerdere opdrachtgevers, eigen investeringen, actieve klantenwerving) hebben een sterkere positie om als zelfstandige te worden gezien.
  3. Groepsindeling mogelijk: het gerechtshof Amsterdam mag verschillende groepen chauffeurs onderscheiden, bijvoorbeeld:  
    • chauffeurs die alleen voor Uber rijden zonder ondernemingsactiviteiten (mogelijk werknemers)
    • chauffeurs die een eigen taxibedrijf hebben en voor meerdere platforms/centrales rijden (mogelijk zelfstandigen).
  4. CAO-toepassing: alleen chauffeurs die als werknemer worden aangemerkt, hebben recht op toepassing van de CAO Taxivervoer, met alle bijbehorende rechten zoals vakantiegeld, doorbetaling bij ziekte en pensioenopbouw.

Wat nu?

Het gerechtshof Amsterdam moet nu beslissen welke (groepen) chauffeurs als werknemer moeten worden beschouwd en welke als zelfstandige. Deze uitspraak heeft niet alleen gevolgen voor Uber, maar ook voor andere platformbedrijven zoals Deliveroo, Helpling en Temper.

Voor chauffeurs is het belangrijk om te weten dat hun eigen ondernemersgedrag van invloed kan zijn op hun juridische status. Wie bewust kiest voor zelfstandig ondernemerschap, doet er goed aan dit ook werkelijk in de praktijk te brengen door bijvoorbeeld:

  • voor meerdere opdrachtgevers te werken;
  • te investeren in de eigen onderneming;
  • aan actieve klantenwerving te doen;
  • zich naar buiten toe als ondernemer te presenteren.
Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2025:319 | 20-02-2025

Categorie: Arbeidsrecht

Naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 0 is onrechtmatig

maart 6, 2025 by VDWB

Een automobilist parkeert zijn auto aan de Oscarlaan in Almere. Het eerste uur parkeren is hier gratis. Vanaf het tweede uur moet wel betaald worden. De automobilist parkeert langer dan een uur, zonder een parkeerkaartje aan te schaffen of de parkeerapparatuur in werking te stellen. Een parkeercontroleur legt een naheffingsaanslag op van € 66,50, bestaande uit € 0 aan parkeerbelasting (het tarief van het eerste uur) en € 66,50 aan kosten. De automobilist gaat hiertegen in bezwaar en later in beroep. De vraag in deze zaak is of een naheffingsaanslag parkeerbelasting rechtsgeldig kan zijn als deze uitsluitend uit kosten bestaat.

Wat stelt de automobilist?

De automobilist stelt dat de naheffingsaanslag onrechtmatig is. Aangezien geen belasting is nageheven, is geen sprake van niet-betaalde belasting. Een naheffingsaanslag die alleen uit kosten bestaat, kan volgens hem niet rechtsgeldig zijn.

Wat is het verweer van de gemeente?

De heffingsambtenaar van de gemeente stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hij voert ter onderbouwing van zijn standpunt twee gronden aan. Ten eerste heeft de automobilist geen "aangifte" gedaan door het niet in werking stellen van de parkeerapparatuur; immers, ook voor het gratis parkeren moet een ticket worden gehaald. Ten tweede stelt de heffingsambtenaar dat hij er ook voor had kunnen kiezen om, in plaats van het tarief van het eerste uur (dat gratis is), het tarief van het tweede uur (€ 1) na te heffen, aangezien de automobilist feitelijk langer dan één uur heeft geparkeerd en voor dat tweede uur wel belasting verschuldigd was. De inspecteur vindt daarom dat zowel de naheffingsaanslag als de kostenberekening rechtmatig zijn.

De rechtbank beslist

De rechtbank volgt in beroep het standpunt van de heffingsambtenaar. De rechtbank gaat mee in de redenering dat ook bij gratis parkeren de verplichting bestaat om de parkeerapparatuur te gebruiken en dat de niet-naleving hiervan kan leiden tot een naheffingsaanslag van kosten. De rechtbank ziet geen reden om de kostenberekening aan te passen en laat de naheffingsaanslag in stand zoals deze door de heffingsambtenaar is opgelegd.

Het hof oordeelt anders

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof oordeelt dat vereist is dat parkeerbelasting die op aangifte betaald had moeten worden, niet is betaald. Aangezien de heffingsambtenaar geen parkeerbelasting heeft nageheven, immers de aanslag bestaat uitsluitend uit kosten, erkent de ambtenaar daarmee dat er geen sprake is van niet-betaalde parkeerbelasting. De naheffingsaanslag kan daarom niet in stand blijven. Het hof verwerpt ook de argumenten dat een bevoegdheid tot naheffing bestaat, omdat geen aangifte is gedaan of omdat een hoger tarief had kunnen worden toegepast.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:594 | 03-02-2025

Categorie: Overige heffingen

Geen rechtsherstel box 3 ondanks lagere aanslag

maart 6, 2025 by VDWB

Een Nederlandse belastingplichtige heeft onroerende zaken in Frankrijk en Duitsland en staat voor een bijzonder fiscaal dilemma. Ze vraagt de Belastingdienst om de Wet rechtsherstel box 3 toe te passen op haar aangifte over 2019, ook al leidt dit tot een hoger belastbaar inkomen. Waarom? Omdat de uiteindelijke belastingaanslag door een andere voorkomingsregeling tóch lager zou uitvallen. De rechtbank oordeelt over deze ogenschijnlijk vreemde situatie: kan een regeling bedoeld als voordeel voor belastingplichtigen worden toegepast als deze het belastbaar inkomen verhoogt?

Wat is het verschil tussen de twee berekeningsmethoden?

Bij de reguliere berekening van box 3 komt de belastingplichtige uit op een belastbaar inkomen van € 37.909. Na de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bedraagt haar te betalen belasting € 3.347.

Bij toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 zou haar belastbaar inkomen hoger uitvallen: € 42.808. Door een gunstigere regeling voor het verrekenen van in het buitenland betaalde belasting zou haar uiteindelijke belastingaanslag echter lager zijn, namelijk € 2.421. Dit is een verschil van ruim € 900 in het voordeel van de belastingplichtige.

Standpunt Belastingdienst

De Belastingdienst wijst echter op de tekst van de Wet rechtsherstel box 3. Daar staat duidelijk dat de wet alleen mag worden toegepast "voor zover dit tot een lager voordeel uit sparen en beleggen leidt". Aangezien het belastbaar inkomen juist stijgt van € 37.909 naar € 42.808, is niet aan deze voorwaarde voldaan. Het feit dat de uiteindelijke belastingaanslag lager zou zijn, doet volgens de Belastingdienst niet ter zake.

Hoe oordeelt de rechtbank?

De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst gelijk heeft. De wettekst is duidelijk: de Wet rechtsherstel box 3 mag alleen worden toegepast als dit tot een lager belastbaar inkomen uit sparen en beleggen leidt. De rechtbank ziet geen ruimte in de wet of de wetsgeschiedenis om af te wijken van deze voorwaarde.
Het feit dat de belastingplichtige door een andere berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting uiteindelijk minder belasting zou betalen, is volgens de rechtbank niet relevant. De wet kijkt alleen naar het effect op het belastbaar inkomen, niet naar het effect op de uiteindelijke belastingaanslag.

Kunnen belastingverdragen hier verandering in brengen?

De belastingplichtige beroept zich ook op de belastingverdragen met Frankrijk en Duitsland. De rechtbank is echter duidelijk: deze verdragen regelen alleen welk land belasting mag heffen en niet hoe het belastbaar inkomen in Nederland wordt berekend. De wijze waarop Nederland het voordeel uit sparen en beleggen berekent en voorkoming van dubbele belasting verleent, valt buiten het bereik van deze belastingverdragen.

Hardheidsclausule

De minister van Financiën is bevoegd om tegemoet te komen aan onbillijkheden die zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. Als de belastingplichtige meent dat hier sprake van is, dan kan zij een verzoek indienen om toepassing van de hardheidsclausule. Of die in dit geval moet worden toegepast, is niet ter beoordeling aan de belastingrechter.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2024:22381 | 22-12-2024

Categorie: Inkomstenbelasting

Alleen zakelijke ritten administreren blijkt niet voldoende

februari 27, 2025 by VDWB

Een ondernemer levert belegde broodjes aan tankstations en bedrijven. Hij maakt daarbij gebruik van een bestelauto. In de aangifte inkomstenbelasting geeft hij de bijtelling wegens privégebruik aan, maar tekent hiertegen later bezwaar aan. 

De ondernemer stelt dat er geen sprake is van privégebruik van de bestelauto. Hij kan dit onderbouwen met een administratie van al zijn zakelijke bezoekadressen, die gestaafd kunnen worden door de facturen aan zijn afnemers. De inspecteur stelt dat met het alleen aantonen van de zakelijk gereden kilometers niet is uitgesloten dat de ondernemer ook voor privédoeleinden gebruik heeft gemaakt van de bestelauto.

De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat de ondernemer geen informatie heeft over het totaal aantal met de auto gereden kilometers. Daarmee blijft de mogelijkheid open dat het totaal aantal gereden kilometers hoger ligt dan het aantal gereden zakelijke kilometers. Het bewijsaanbod met betrekking tot de gereden zakelijke kilometers kan dus niet leiden tot uitsluitsel dat geen privékilometers zijn gereden en wordt om die reden door de rechtbank gepasseerd. De inspecteur heeft terecht een onttrekking in aanmerking genomen voor het gebruik van de auto voor privédoeleinden.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:691 | 09-02-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 38
  • Pagina 39
  • Pagina 40
  • Pagina 41
  • Pagina 42
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 147
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"