• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

VDWB

Bijtelling auto ondanks verbod privégebruik in contract

september 11, 2025 by VDWB

Een kinderdagverblijf gebruikt vier auto's voor het ophalen en brengen van kinderen en het doen van boodschappen. Werknemers moeten bij indiensttreding een autoverklaring ondertekenen waarin staat dat privégebruik uitdrukkelijk verboden is. Daarnaast moeten de medewerkers de autosleutel na gebruik weer terugleggen in een sleutelkastje. De Belastingdienst acht desondanks dat sprake is van terbeschikkingstelling aan de locatiemanager, die tevens indirect bestuurder is. Zij beschikt over de autosleutels en kan zowel tijdens als buiten werktijden gebruikmaken van de auto’s. Het verbod op privégebruik in haar contract doet daar niets aan af. Bovendien is geen rittenadministratie bijgehouden, waardoor niet bewezen kan worden dat minder dan 500 kilometer privé per jaar gereden werd. Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordelen dat de naheffing terecht is opgelegd. Echter vernietigt de rechtbank de vergrijpboeten, omdat grove schuld niet overtuigend is aangetoond. Het gerechtshof bevestigt deze uitspraak volledig.

Auto ter beschikking = altijd belasting

Het hof stelt vast dat onder terbeschikkingstelling wordt verstaan dat een werknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over een auto uitoefent. Cruciaal is of een werknemer kan bepalen of en op welke wijze hij van de auto gebruikmaakt. Het gaat dus niet om de doeleinden waarvoor de auto uiteindelijk wordt gebruikt, maar om de feitelijke beschikkingsmacht. De locatiemanager kon bepalen op welke wijze zij van de auto’s gebruikmaakte. Bovendien beschikte zij over de autosleutels, ook al werden deze door een andere medewerker beheerd. Het hof oordeelt dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een situatie waarbij een werknemer de auto slechts mag besturen voor specifieke opdrachten waarbij de feitelijke beschikkingsmacht bij de werkgever blijft.

Verbod privégebruik niet relevant

Het verbod op privégebruik in arbeidsovereenkomsten en autoverklaringen leidt niet tot een ander oordeel. Dit verbod is namelijk niet relevant voor de vraag of sprake is van terbeschikkingstelling. Echter is dit verbod wel relevant voor het bewijs dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé per jaar wordt gebruikt. Eenmaal vastgesteld dat sprake is van terbeschikkingstelling, geldt het wettelijk vermoeden dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking staat.

De 500-kilometerregel

Op het kinderdagverblijf rust vervolgens een verzwaarde bewijslast om te bewijzen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer privé per jaar gebruikt wordt. Het hof oordeelt dat hieraan niet is voldaan. Het enkele verbod op privégebruik in contracten toont niet aan dat de auto ook daadwerkelijk niet voor privéritten gebruikt wordt. Ook het gebruik van een sleutelkastje volstaat niet, omdat geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat het gebruik daarvan gecontroleerd wordt.

Waarom geen boete?

Voor de vergrijpboeten geldt een zwaardere bewijslast: grove schuld moet overtuigend worden aangetoond. Het hof oordeelt dat niet aan de zwaardere bewijslast is voldaan. Belanghebbende liet werknemers een autoverklaring ondertekenen, legde regels vast in het personeelshandboek en zorgde voor beheer via een sleutelkastje. De locatiemanager verklaarde geloofwaardig dat zij voorzichtig was als minderheidsaandeelhouder en niet wilde dat collega's zouden denken dat zij misbruik maakte van haar positie. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van grove schuld.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:1648 | 11-08-2025

Categorie: Loonbelasting

Fiscaal compromis vernietigd door dwaling over woningoppervlakte

september 4, 2025 by VDWB

In 2017 verkoopt een dochtermaatschappij een woning met garage aan de zoon van de dga voor € 274.760, terwijl de WOZ-waarde € 398.000 bedraagt. De woning wordt al jaren verhuurd aan dezelfde zoon voor slechts € 1.200 per maand, zonder indexatie. De Belastingdienst beschouwt deze transacties als onzakelijk en wil een correctie van € 639.240 opleggen. Tijdens een hoorgesprek sluiten partijen een compromis op een waarde van € 567.000. De dga verklaart hierbij dat de woning slechts 160 m² groot is, terwijl de werkelijke oppervlakte 255 m² bedraagt. 

Compromis

De Belastingdienst erkent het compromis, maar beroept zich op dwaling. De inspecteur baseert zijn instemming op de uitdrukkelijke verklaring van de dga dat de woning 160 m² groot is en vergelijkbaar is met het buurpand. Een luchtfoto toont echter een grote uitbouw en een verbouwde garage, wat de werkelijke oppervlakte op 255 m² brengt. De inspecteur stelt dat hij het compromis onder juiste informatie nooit zou hebben gesloten. De dga vindt dat de Belastingdienst de werkelijke oppervlakte had kunnen achterhalen via openbare bronnen en zich beter had moeten voorbereiden. Hij stelt dat het compromis geldig is en dat de overeengekomen waarde rekening houdt met de verhuurde staat van de woning.

Dwaling

Het gerechtshof oordeelt dat het compromis geldig tot stand is gekomen, maar terecht vernietigd kan worden wegens dwaling door onjuiste informatie van de dga. De dga heeft tijdens het hoorgesprek bewust onjuiste informatie over de woonoppervlakte en verbouwingskosten verstrekt . Het grote verschil in cijfers maakt aannemelijk dat de overeenkomst bij juiste informatie niet zou zijn gesloten.

Onderzoeksplicht

Het hof stelt dat de inspecteur voldoende onderzoek heeft verricht. Hij laat de woning taxeren, bespreekt beschikbare informatie en confronteert de dga met de oppervlakte van 255 m². De dga blijft vasthouden aan zijn onjuiste verklaring. Volgens het hof mag de inspecteur erop vertrouwen dat de dga, als vastgoed-ervaren directeur, de juiste feiten verstrekt.

Winstcorrecties grotendeels terecht

Het hof bevestigt dat zowel de verkoopprijs als de huurprijs onzakelijk zijn. De zakelijke waarde van de woning en garage bedraagt € 914.000 en de zakelijke huurprijs € 3.250 per maand. Wel past het hof een korting van € 94.000 toe op de winstcorrectie vanwege beperkte waardedruk bij verkoop aan de huurder.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:1513 | 07-07-2025

Categorie: Vennootschapsbelasting

Negatief loon bij bestuurdersaansprakelijkheid: wanneer is er echte verarming?

september 4, 2025 by VDWB

Een dga moet via zijn vennootschap € 453.476 schadevergoeding betalen vanwege de onrechtmatige verkoop van sportkleding die eigenlijk van een andere partij was. Hij betaalt de helft (€ 226.738) en wil dit bedrag als negatief loon aftrekken van zijn belastbaar inkomen. Daarnaast wil hij zijn fictief loon verlagen van € 75.000 naar € 45.000, omdat zijn vennootschap door de claim financieel wordt belast. De Belastingdienst betwist echter dat sprake is van negatief loon. Ook wil de inspecteur het fictief loon niet verlagen. De dga vermeldde immers zelf in zijn aangifte een bedrag van € 75.000. Zijn vennootschap voerde dit bedrag ook op als loonkosten. Verder beschikt de vennootschap over voldoende eigen vermogen (ruim € 1.300.000) en behaalt zij een positief fiscaal resultaat over 2017 van € 70.000.

Geen verarming 

Het hof oordeelt dat geen sprake is van negatief loon, omdat de dga geen daadwerkelijke verarming ondergaat. Hoewel hij een schadevergoeding van € 226.738 betaalt, compenseert dit bedrag precies de waarde van de ten onrechte verkochte sportkleding. De rechtbank Amsterdam heeft deze waarde vastgesteld op € 453.476. Omdat de opbrengsten van de verkoop gelijkwaardig zijn aan de vergoeding, ontstaat geen verarming. Voor zover de opbrengsten bij de dga terechtkwamen, staat zijn betaling daar tegenover. Voor zover anderen profiteerden, heeft de dga een regresvordering op die partijen.

Fictief loon 

Voor het fictief loon volgt het hof de eigen aangifte van de dga (€ 75.000) en de corresponderende loonkosten bij zijn vennootschap. Omdat er geen sprake is van een daadwerkelijke claim vanwege bestuurdersaansprakelijkheid, slaagt het betoog niet dat het fictief loon moet worden verlaagd. De financiële positie van de vennootschap ondersteunt dit standpunt.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:4295 | 07-07-2025

Categorie: Loonbelasting

Door lang wachten met transport geen nultarief

september 4, 2025 by VDWB

Een paardenhandelaar verkoopt vier wedstrijdpaarden aan buitenlandse kopers en past het nultarief toe, omdat de paarden later uitgevoerd worden. Bij drie paarden ligt meer dan een half jaar tussen het moment van verkoop en het moment van uitvoer. Ondertussen nemen de paarden actief deel aan wedstrijden. De Belastingdienst is daarom van mening dat het nultarief ten onrechte is toegepast en legt een naheffingsaanslag op.

De paardenhandelaar voert aan dat sprake is van voldoende temporeel en materieel verband tussen levering en uitvoer. De handelaar klaagt bovendien over schending van het unierechtelijke verdedigingsbeginsel. De inspecteur heeft namelijk haar argumenten niet beoordeeld voordat de naheffing werd opgelegd.

De Belastingdienst houdt vol dat de levering plaatsvindt bij het sluiten van de koopovereenkomst. Volgens de inspecteur ontbreekt een voldoende verband tussen levering en uitvoer. Hij erkent weliswaar geen tijd te hebben gehad voor de beoordeling van de argumenten, maar wijst op de dreigende verjaring van de naheffingstermijn. Daarbij stelt hij dat belanghebbende te laat reageerde op het informatieverzoek, waardoor tijdsdruk ontstond.

Verdedigingsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, maar dat dit gerechtvaardigd is door de dreigende verjaring. Weliswaar heeft de inspecteur de argumenten van de handelaar niet beoordeeld, maar de tijdsdruk is niet aan hem toe te rekenen. Immers, belanghebbende reageerde pas na zes weken op het informatieverzoek.

Leveringsmoment

Voor de toepassing van het nultarief stelt de rechtbank vast dat de levering plaatsvindt bij het sluiten van de koopovereenkomst, niet bij de uitvoer. De rechtbank baseert dit oordeel op vier concrete elementen:

  1. Directe betalingsverplichting
    Uit de koopovereenkomsten volgt dat afnemers direct de volledige koopsom verschuldigd zijn.
  2. De "as is, where is"-voorwaarde
    De rechtbank interpreteert dit als een normaal kooprechtelijk beding. Deze voorwaarde houdt in dat de koper het paard accepteert in de staat waarin het zich bevindt ten tijde van de koop. Het is geen uitstelling van eigendomsoverdracht, zoals belanghebbende beweert.
  3. Het economisch belang
    Vanaf het sluiten van de koopovereenkomsten komt het economisch belang bij de afnemers te liggen.
  4. Als eigenaar geregistreerd
    De afnemers of hun ruiters hebben meerdere ritten met de paarden gereden tussen koop en uitvoer. Daarnaast staan zij ruim voorafgaand aan de uitvoer als eigenaar geregistreerd in de internationale paardensportdatabase.

Materieel en temporeel verband

Voor drie paarden ontbreekt volgens de rechtbank voldoende verband tussen levering en uitvoer. De periodes bedragen namelijk acht maanden tot een jaar tussen het moment van levering en het moment van uitvoer. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende onvoldoende objectief en verifieerbaar bewijs heeft overgelegd voor een temporeel en materieel verband. Daarbij wijst het feit dat paarden tussen levering en uitvoer in verschillende landen aan wedstrijden deelnemen eerder op het tegendeel van zo'n verband.

Voor één paard is het nultarief echter wel van toepassing. Hier bedraagt de periode anderhalve maand tussen het moment van levering en het moment van uitvoer. De rechtbank acht aannemelijk dat deze periode nodig was voor quarantaineregels en het regelen van transport. Hierdoor bestaat een temporeel en materieel verband. Training en wedstrijddeelname om in topvorm te blijven verbreekt het materiële verband in dit geval niet vanwege de korte periode.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:5158 | 06-08-2025

Categorie: Omzetbelasting

Contributie als gift

september 4, 2025 by VDWB

De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst neemt het standpunt in dat contributie aan een vereniging die is aangemerkt als ANBI kan kwalificeren als een aftrekbare gift. Dit geldt alleen als daar geen directe tegenprestatie tegenover staat, of als die tegenprestatie van bijkomstige aard is.

Een gift is een bevoordeling uit vrijgevigheid of een verplichte bijdrage zonder directe tegenprestatie. Contributie kan worden aangemerkt als een verplichte bijdrage die is verschuldigd voor het lidmaatschap van een vereniging. Leden zijn vrij in hun keuze om geen lid te worden of te blijven van de vereniging, in welk geval de contributie niet (meer) is verschuldigd. 

De aard van de tegenprestatie bepaalt of de contributie aftrekbaar is:

  • Geen of symbolische tegenprestatie
    Contributie is volledig aftrekbaar. Denk bij een symbolische tegenprestatie aan een tijdschrift of korting op toegang tot natuurgebieden.
  • Meer dan bijkomstige tegenprestatie
    Alleen het deel van de contributie dat niet aan de tegenprestatie is toe te rekenen, is aftrekbaar. Voorbeelden zijn kortingen op verzekeringen, gratis producten of toegang tot evenementen.
  • Niet te splitsen contributie
    Als de contributie niet kan worden gesplitst in een deel voor de tegenprestatie en een deel voor andere doeleinden, geldt de volledige betaling als vergoeding voor de tegenprestatie. In dat geval is geen aftrek mogelijk.

Een lidmaatschap dat ‘gratis’ wordt verstrekt bij een gift aan de vereniging moet nader worden beoordeeld. Als de tegenprestatie van meer dan bijkomstige aard is, moet de gift worden gesplitst. Alleen het deel zonder tegenprestatie komt in aanmerking voor aftrek.
 

Bron: Belastingdienst | overig | KG:202:2025:13 | 31-08-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Kabinet dicht belastinglek in box 3 bij obligaties

augustus 28, 2025 by VDWB

In box 3 is een belastinglek ontstaan bij de aankoop van obligaties met zogeheten aangegroeide rente. Het kabinet neemt met een wetswijziging maatregelen om dit lek van circa € 100 miljoen in 2025 te dichten. De wetswijziging gaat in per 2026, met terugwerkende kracht tot en met 25 augustus 2025 om 16:00 uur.

Wat is het probleem?

Bij de aankoop van een obligatie wordt de aankoopprijs verhoogd met de rente die al is opgebouwd. Deze rente telt mee in de aankoopwaarde. Bij de waardering op 1 januari of 31 december telt die rente echter niet mee, omdat dan wordt uitgegaan van de beurswaarde zonder aangegroeide rente. Dit verschil zorgt ervoor dat in het eerste jaar een verlies zichtbaar wordt. In het jaar daarop ontstaat een relatief hoge winst, maar dan kan gekozen worden voor het forfaitaire rendement. Dat forfaitaire rendement vormt de bovengrens voor de belastingheffing, ongeacht het werkelijke rendement. Zo ontstaat een belastingvoordeel dat niet strookt met de bedoeling van de wet.

Wat verandert er?

Het kabinet past de tegenbewijsregeling in box 3 aan op twee punten:

Geen vrijstelling meer voor kortlopende termijnen bij obligaties

De vrijstelling voor kortlopende termijnen, zoals rente die op korte termijn wordt ontvangen, vervalt voor obligaties. Deze rente telt voortaan mee in de waarde van het vermogen. Voor banktegoeden blijft de vrijstelling wel gelden, omdat daar geen sprake is van belastingontwijking.

Waardering op economische waarde in plaats van slotnotering

De huidige regel om obligaties te waarderen op de slotnotering van de laatste beursdag van het jaar vervalt. Die slotnotering is exclusief aangegroeide rente. Voortaan geldt de economische waarde, inclusief rente, als uitgangspunt.

Deze aanpassingen gelden uitsluitend voor de tegenbewijsregeling. Voor het forfaitaire rendement verandert er niets, omdat het lek daar niet speelt.

Ingangsdatum en overgangsrecht

De voorgestelde wetswijziging zal worden opgenomen in het Belastingplan 2026. Dit wetsvoorstel wordt op Prinsjesdag ingediend bij de Tweede Kamer. De maatregelen gaan in per 2026, met terugwerkende kracht tot en met 25 augustus 2025 om 16:00. Voor vermogen dat op dat tijdstip al onderdeel is van het box 3-vermogen van een belastingplichtige blijft de oude systematiek gelden.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 24-08-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 19
  • Pagina 20
  • Pagina 21
  • Pagina 22
  • Pagina 23
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 147
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"