• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

Nieuwsberichten

Poolse klusjesman heeft vaste inrichting in Nederland

juni 11, 2026 by

Een Poolse ondernemer exploiteert een klusbedrijf en verricht renovatie-, stukadoors- en schilderwerk in Nederland. Hij verblijft afwisselend in Polen en Nederland: twee weken daar, drie weken hier. De inspecteur legt over 2017 en 2018 navorderingsaanslagen op en over 2019 een aanslag. De ondernemer stelt dat hij geen vaste inrichting heeft in Nederland en dat de winst dus niet in Nederland belastbaar is. 

Woonplaats in Polen, werkzaamheden in Nederland

De ondernemer woont in Polen, maar staat jarenlang ingeschreven op diverse Nederlandse adressen. De ondernemer en de inspecteur zijn het erover eens dat Polen op basis van het belastingverdrag als woonland geldt. De vraag is of Nederland mag heffen over de winst uit de hier verrichte werkzaamheden.

Woning is vaste inrichting

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse woning waar de ondernemer verblijft een vaste inrichting vormt. De ondernemer is de enige die werkzaam is voor de onderneming. Tijdens zijn verblijf in Nederland voert hij niet alleen klussen uit, maar heeft hij ook afspraken met klanten, maakt hij offertes en sluit hij overeenkomsten. De rechtbank acht aannemelijk dat in de woning werkzaamheden worden verricht zoals klantcontact en het bijhouden van de administratie.

Eenmanszaak kan zichzelf vertegenwoordigen

De ondernemer betoogt dat een eenmanszaak zichzelf geen machtiging kan verlenen en dat daarom artikel 5 lid 5 van het belastingverdrag niet van toepassing kan zijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. Doel en strekking van de bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting wanneer iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Een interpretatie waarbij alleen een werknemer of een derde een vaste inrichting zou vormen, maar de ondernemer zelf niet, acht de rechtbank niet in overeenstemming met deze strekking.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4373 | 19-05-2026

Categorie: Inkomstenbelasting

Voorraad herwaarderen via kapitaalrekening leidt tot winstcorrectie

juni 4, 2026 by

Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Categorie: Ondernemingswinst

Overgenomen schuld telt mee voor ab-heffing

juni 4, 2026 by

Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.

Niet onder normale omstandigheden

Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.

Schuld telt mee

De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.

Nominale waarde niet aannemelijk

Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.

Overwaarde als maatstaf

De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:807 | 24-03-2026

Categorie: Inkomstenbelasting

Nieuwe wet faciliteert digitale algemene vergadering

juni 4, 2026 by

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. 

Volledig digitale vergadering mogelijk

De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.

Aangescherpte voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen

Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.

Vereenvoudigde digitale oproeping

Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.

Bron: Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetsvoorstel | 36489 | 01-06-2026

Categorie: Ondernemingsrecht

Compensatieregelingen transitievergoeding verdwijnen

juni 4, 2026 by

Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2026Z11419 | 28-05-2026

Categorie: Arbeidsrecht

Cao zegt niets over sectorindeling

mei 28, 2026 by

Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.

Ruwbouw of afbouw?

Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.

Stofferen van plafonds

De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.

Cao niet van belang

De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.

En systeemplafonds dan?

De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2744 | 20-04-2026

Categorie: Sociale verzekeringen

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Pagina 4
  • Pagina 5
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 149
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"