• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

Internationaal

Van verplicht naar vrijwillig: weg aftrek pensioenpremie

augustus 6, 2026 by VDWB

Een werknemer was tot 2017 verplicht verzekerd in Luxemburg en bouwde daar pensioen op. Daarna wordt hij verplicht verzekerd in Nederland, maar hij zet de Luxemburgse pensioenregeling vrijwillig voort. De premie die hij zelf betaalt, wil hij aftrekken als negatief loon of als lijfrentepremie. Het hof wijst beide af. De vrijwillige voortzetting is een privéaangelegenheid zonder voldoende verband met de dienstbetrekking.

Van verplicht naar vrijwillig

De werknemer heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij werkt jarenlang voor een internationaal concern, waarbij achtereenvolgens een Nederlandse en een Luxemburgse vennootschap als werkgever optreden. Tot 1 september 2017 is hij verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader bouwt hij pensioen op bij het Luxemburgse pensioenfonds CNAP. De werkgever betaalt de helft van de premies, de andere helft wordt ingehouden op het loon van de werknemer. Per 1 september 2017 verschuift de verzekeringsplicht naar Nederland en eindigt de verplichte deelname aan CNAP.

Werkgever biedt vergoeding aan

De werkgever informeert de werknemer dat hij de Luxemburgse pensioenopbouw vrijwillig kan voortzetten. De werkgever is bereid de helft van de premie te vergoeden, tot maximaal acht procent van het brutoloon. De werknemer maakt gebruik van die mogelijkheid. Hij sluit zelf een overeenkomst met de Luxemburgse pensioeninstantie en betaalt de premie vanaf zijn privébankrekening. De werkgever vergoedt zijn deel via het loon, aangeduid als 'pension contribution'. Die vergoeding is belast als loon. In 2020 betaalt de werknemer in totaal bijna € 15.000 en ontvangt hij netto ruim € 7.000 van zijn werkgever. Het verschil wil hij aftrekken.

Geen negatief loon

De werknemer voert de eigen bijdrage op als negatief loon. Het hof verwerpt dat. De werknemer heeft zelf in privé de verzekering afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een 'exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution'. Anders dan voorheen bij CNAP is de werkgever geen partij bij deze overeenkomst. De premie die de werknemer betaalt, houdt daardoor onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt. Dat de regeling in het verlengde ligt van de vroegere verplichte verzekering, maakt dit niet anders.

Geen lijfrentepremie

De werknemer betoogt vervolgens dat de premie aftrekbaar is als uitgave voor inkomensvoorziening. Ook dat faalt. Op de werknemer rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als lijfrentepremie en dienen ter compensatie van een pensioentekort. Aan die bewijslast heeft hij niet voldaan. De stelling dat sprake is van strijd met het Europese discriminatieverbod, omdat sommige buitenlandse verzekeraars wel zijn toegelaten, behoeft geen behandeling. Eerst moet immers vaststaan dat het om een lijfrentepremie gaat en dat is niet aannemelijk gemaakt.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1278 | 19-05-2026

Categorie: Internationaal

Emigrant wint kwijtschelding van conserverende aanslag

juni 26, 2025 by VDWB

Een Nederlandse ondernemer emigreert in 2012 naar Zwitserland en krijgt een conserverende aanslag van € 12,2 miljoen over zijn aanmerkelijk belang. Na tien jaar uitstel van betaling vraagt hij kwijtschelding, maar de Belastingdienst weigert, omdat hij naar hun mening onvoldoende informatie heeft verstrekt over mogelijke verboden handelingen. Mag de Belastingdienst na afloop van de tienjarige uitsteltermijn nog onderzoeken of verboden handelingen hebben plaatsgevonden?

Automatische kwijtschelding na tien jaar?

De ondernemer stelt dat hij recht heeft op kwijtschelding, omdat de tienjarige uitsteltermijn is verstreken. Hij heeft alle benodigde informatie verstrekt en de Belastingdienst weigert concreet aan te geven welke gegevens nog ontbreken. Volgens hem was het de bedoeling van de wetgever dat na tien jaar automatisch kwijtschelding volgt zonder verdere voorwaarden. 

Onderzoeksbevoegdheid na uitsteltermijn?

De Belastingdienst houdt vol dat zij ook na afloop van de tienjarige termijn bevoegd is om te beoordelen of binnen die periode verboden handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens de Belastingdienst heeft de ondernemer niet alle gevraagde informatie verstrekt over de jaarrekeningen van zijn vennootschap en mogelijke uitkeringen van reserves. Zonder deze gegevens kan niet worden vastgesteld of het uitstel eerder had moeten worden beëindigd. Kwijtschelding kan daarom worden geweigerd op grond van onvoldoende informatieverstrekking.

Volledige kwijtschelding

De rechtbank geeft de ondernemer volledig gelijk en verleent kwijtschelding van € 12,2 miljoen. Het hof oordeelt dat de Belastingdienst uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting over zijn bevoegdheden na de tienjarige termijn:

  • Geen onderzoeksbevoegdheid na tien jaar. De wettekst voorziet alleen in beëindiging van uitstel binnen de tienjarige termijn, niet erna. De Belastingdienst heeft geen recht om achteraf te beoordelen of verboden handelingen hebben plaatsgevonden.
  • Parlementaire geschiedenis bevestigt automatische kwijtschelding. Uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk dat het de bedoeling is dat de aanslag uiterlijk na tien jaar vervalt" zonder nadere voorwaarden.
  • Bescherming tegen oneindige uitvraag. Een andere uitleg zou betekenen dat emigranten permanent onderhevig blijven aan informatieverplichting, wat niet de bedoeling van de wetgever is.

Duidelijkheid voor conserverende aanslagen 

Deze uitspraak brengt duidelijkheid voor emigrerende ondernemers met conserverende aanslagen uit de oude regelgeving. Na afloop van de tienjarige uitsteltermijn volgt automatisch kwijtschelding, zonder dat de Belastingdienst nog kan onderzoeken of binnen die periode verboden handelingen hebben plaatsgevonden. Dit biedt zekerheid voor ondernemers die al jaren in onzekerheid verkeren over hun belastingverplichtingen. De uitspraak geldt alleen voor conserverende aanslagen onder de oude regelgeving vóór september 2015.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2025:2903 | 13-05-2025

Categorie: Internationaal

Open norm fiscale woonplaatsbepaling onder vuur

mei 22, 2025 by VDWB

Een man verplaatst zijn werkzaamheden van Monaco naar Nederland. Hij komt daarbij in een geschil met de Belastingdienst over zijn fiscale woonplaats. Het geschil concentreert zich op de eerste maanden van 2016, waarin bijna € 2,3 miljoen aan loon is ontvangen. Wanneer de belastingplichtige in die periode fiscaal in Nederland woont, is dit loon in Nederland belast. De zaak leidt tot een principiële vraag: is de huidige open norm voor woonplaatsbepaling nog wel van deze tijd?

De open norm voor woonplaatsbepaling

Waar iemand woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Deze eenvoudige regel bestaat al meer dan 130 jaar in vrijwel ongewijzigde vorm. De jurisprudentie heeft dit ingevuld met het criterium dat iemand in Nederland woont als er een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland bestaat.

In zijn verzoek aan de Hoge Raad betoogt de man dat deze open norm aan herijking toe is. Het woonplaatsbegrip is naar zijn mening onvoldoende precies en voorzienbaar geworden. Hij pleit voor een striktere invulling, waarbij het begrip wonen uit het normale spraakgebruik centraal staat.

De huidige juridische invulling

De procureur-generaal van de Hoge Raad concludeert in een uitvoerige analyse dat herijking van het woonplaatsbegrip onnodig en ongewenst is. Hij stelt dat de open norm een bewuste keuze van de wetgever is. Een open norm biedt namelijk voordelen, zoals flexibiliteit en de mogelijkheid tot maatwerk. Hierdoor kan de werkelijke situatie van een belastingplichtige worden meegewogen.

Daarnaast is het sinds 1927 vaste jurisprudentie dat iemand zowel in Nederland als in een ander land kan wonen. Bij een dubbele woonplaats kunnen belastingverdragen uitkomst bieden. De Hoge Raad heeft in diverse arresten de contouren van het woonplaatsbegrip steeds duidelijker gemaakt, zonder het in te perken met rigide regels. Dit zorgt ervoor dat de toepassing in de praktijk duidelijk is.

Rechtsvergelijkend perspectief

Ook in andere rechtsgebieden komen open woonplaatsnormen voor. In het Burgerlijk Wetboek wordt aangesloten bij de woonstede en het werkelijk verblijf. In socialezekerheidswetten wordt veelal dezelfde open norm gehanteerd als in het belastingrecht.

Internationale belastingverdragen lossen de kwestie van dubbele woonplaats op met een tiebreaker. Die stelt stapsgewijs vast in welk land iemand voor verdragsdoeleinden woont. Het probleem in de voorliggende zaak was dat Monaco geen verdragspartner van Nederland is.

Praktische betekenis

De conclusie van de procureur-generaal bevat belangrijke lessen. Ten eerste zijn de feiten doorslaggevend. Alle relevante omstandigheden worden in aanmerking genomen, zonder een vaste rangorde of weging. Daarnaast geldt er geen vereiste van hoofdverblijf. Een duurzame band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land. 
Hoewel open normen soms minder voorspelbaarheid bieden, leidt dit in de praktijk slechts in een klein aantal uitzonderlijke gevallen tot problemen. In geval van dreigende dubbele belastingheffing kan een belastingverdrag uitkomst bieden. Echter, als er geen verdrag is, zoals met Monaco, kan dit problematisch zijn.

Bron: Parket bij de Hoge Raad | Conclusie AG | ECLI:NL:PHR:2025:500 | 08-05-2025

Categorie: Internationaal

Aftrek uitgaven voor inkomensvoorzieningen van buitenlands belastingplichtige: Schumacker-doctrine toegepast

november 7, 2024 by VDWB

Een inwoner van België, die in Nederland werkzaam is, wil de betaalde premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) in Nederland aftrekken. De inspecteur heeft de aftrek geweigerd. De vraag in een procedure voor de rechtbank is of een inwoner van België recht heeft op aftrek van de betaalde premies. De rechtbank moet oordelen of de weigering van de inspecteur terecht is.

Feiten

De belanghebbende woont in België en werkt in Nederland. In 2019 heeft hij aangifte inkomstenbelasting in Nederland gedaan als buitenlands belastingplichtige. Daarbij heeft hij € 4.994 aan premies voor een AOV bij een Nederlandse verzekeraar in aftrek gebracht. De inspecteur heeft deze aftrek geweigerd wegens het ontbreken van een inkomensverklaring uit België. Volgens de inspecteur voldeed de belanghebbende daardoor niet aan de voorwaarden om als kwalificerend buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt.

Standpunten van partijen

De belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op aftrek van de premies, ondanks het ontbreken van een inkomensverklaring. Hij beroept zich op het Unierecht en specifiek op de Schumacker-rechtspraak van het Hof van Justitie EU. Volgens deze rechtspraak heeft een niet-ingezetene recht op aftrekposten in het werkland (in dit geval Nederland) als hij het grootste deel van zijn inkomen daar verdient en in zijn woonland weinig tot geen inkomen geniet.
De inspecteur stelt dat de Nederlandse wet duidelijk is: zonder inkomensverklaring wordt geen aftrek verleend. Hij verwijst naar de nationale wetgeving die vereist dat een buitenlandse belastingplichtige moet bewijzen dat hij in zijn woonland onvoldoende inkomen geniet om voor aftrek in Nederland in aanmerking te komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt het standpunt van de belanghebbende en verwijst naar de Schumacker-doctrine. Volgens deze Europese jurisprudentie moet Nederland rekening houden met de persoonlijke en gezinssituatie van een belastingplichtige wanneer deze het grootste deel van zijn inkomen in Nederland verdient en in zijn woonland geen inkomsten van betekenis heeft. In dit geval heeft de belanghebbende meer dan 90% van zijn wereldinkomen in Nederland verdiend en slechts een klein deel van zijn inkomen in België. Dit betekent dat hij recht heeft op de volledige aftrek van de AOV-premies, ondanks het ontbreken van een inkomensverklaring.

De inspecteur stelt nog dat de aftrek pro rata moet worden berekend, omdat de belanghebbende inkomsten zou hebben uit verschillende landen, waaronder Zwitserland. De rechtbank heeft dit argument afgewezen. De belanghebbende heeft de beschikking over een onroerende zaak in Zwitserland, maar heeft daaruit geen inkomsten gehad. De door de inspecteur veronderstelde inkomsten uit andere landen zijn niet meegenomen in de vaststelling van het wereldinkomen van de belanghebbende. Dat betekent dat Nederland de aftrek volledig moet toekennen.

Advies 

Buitenlands belastingplichtigen, die in Nederland inkomsten genieten, moeten altijd proberen om een inkomensverklaring van hun woonland te verkrijgen. Als dit niet mogelijk is, biedt het Unierecht soms alsnog mogelijkheden voor belastingaftrek, zoals in deze zaak bleek.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20246804, 23/10705 | 13-10-2024

Categorie: Internationaal

Heffingsbevoegdheid over lijfrente-uitkeringen uit Nederland

september 5, 2024 by VDWB

Een in België wonende Nederlander was in de jaren 2016 tot en met 2018 buitenlands belastingplichtige voor de Wet IB 2001. Hij heeft voor deze jaren geen aangifte IB in Nederland gedaan en is daartoe ook niet uitgenodigd door de inspecteur.

De man ontving uit Nederland een lijfrente-uitkering en een AOW-uitkering. Nadat de inspecteur informatie van de Belgische belastingautoriteiten over 2018 heeft ontvangen, heeft hij navraag gedaan naar de wijze waarop de lijfrente-uitkeringen in België in de belastingheffing zijn betrokken. Deze uitkeringen zijn volgens mededeling van de man in België niet in de belastingheffing betrokken.

Deze informatie was aanleiding voor de inspecteur om navorderingsaanslagen IB op te leggen.

Voor de rechtbank was in geschil of de inspecteur de lijfrente-uitkeringen in de Belgische periode mocht belasten. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de inleg voor de lijfrenteverzekering in het verleden in Nederland op het belastbare inkomen in mindering is gebracht. De rechtbank ontleent aan de door de inspecteur aangevoerde feiten het vermoeden dat de inleg destijds ten laste van het inkomen is gebracht.

De inspecteur voert aan dat de lijfrenteverzekering is opgebouwd bij een Nederlandse verzekeraar in de periode dat de man als begunstigde van de verzekering in Nederland woonde. De premies zijn door betaald voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en de uitkeringen zijn na die datum ingegaan. Uit renseignementen van de verzekeraar blijkt dat de lijfrente-uitkeringen zijn opgenomen in de loonadministratie. Volgens de inspecteur rechtvaardigen die feiten het vermoeden dat de ingelegde premies aftrekbaar waren en de latere uitkeringen volledig belast zijn. De man is er niet in geslaagd om dit vermoeden te ontzenuwen.

Naar het oordeel van de rechtbank komt het heffingsrecht over de lijfrente-uitkeringen over de jaren 2016 tot en met 2018 toe aan Nederland.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLINLRBZWB20245211, BRE 23/785, 23/786 en 23/787 | 28-07-2024

Categorie: Internationaal

Hof oordeelt over fiscaal inwonerschap van Nederland

september 5, 2024 by VDWB

Het antwoord op de vraag naar het fiscale inwonerschap van een land is van groot belang, aangezien het bepaalt of een land belasting mag heffen over het volledige wereldinkomen van de betrokken persoon. De fiscale woonplaats is vaak onderwerp van discussie, vooral wanneer  iemand pendelt tussen landen of recentelijk is verhuisd. Hoe oordeelde het hof in deze casus?

Standpunt van de belastingplichtige

De belastingplichtige, een chief financial officer (CFO), stelde dat hij vanaf 1 januari 2016 tot en met 17 april 2016 niet in Nederland woonde en daarom niet binnenlands belastingplichtig was. Hij voerde aan, dat hij sinds 2012 voornamelijk in het buitenland verbleef en pas op 18 april 2016 weer inwoner van Nederland werd. Hij baseerde zijn belastingaangifte op de aanname dat hij in deze periode slechts gedeeltelijk belastingplichtig was in Nederland. De belastingplichtige claimde in verband daarmee significante aftrekposten, waaronder een persoonsgebonden aftrek van € 1,5 miljoen.

Standpunt van de inspecteur

De inspecteur was het hier niet mee eens en stelde dat de CFO het gehele jaar 2016 fiscaal inwoner van Nederland was. Dit zou betekenen dat het volledige wereldinkomen van de CFO in Nederland belastbaar was, inclusief salaris, bonussen en Restricted Stock Units die hij in dat jaar ontving. Daarnaast betwistte de inspecteur de aftrekposten die de belastingplichtige claimde, aangezien deze gebaseerd waren op een verkeerde inschatting van zijn fiscale woonplaats.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ging deels mee in het standpunt van de CFO. Het hof oordeelde echter in hoger beroep anders.

Oordeel van het hof

Het hof oordeelde dat de CFO gedurende het gehele jaar 2016 fiscaal inwoner van Nederland was. Dit oordeel is gebaseerd op enkele belangrijke punten:

  • Beschikking over een woning: de belastingplichtige en zijn echtgenote beschikten in de relevante periode over een woning in Nederland. De woning was niet verhuurd en daardoor gedurende het gehele jaar beschikbaar voor eigen gebruik.
  • Substantieel verblijf: de belastingplichtige verbleef in de eerste maanden van 2016 substantieel in Nederland, hetgeen duidt op een duurzame band met  Nederland.
  • Duurzame band: het hof oordeelde dat de belastingplichtige een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, die hem tot binnenlands belastingplichtige maakte voor heel 2016.

Omdat hij als fiscaal inwoner van Nederland wordt beschouwd, is zijn volledige wereldinkomen belast in Nederland. Als gevolg hiervan werd de persoonsgebonden aftrek van € 1,5 miljoen aanzienlijk beperkt, aangezien de omstandigheden rond zijn fiscale woonplaats anders lagen dan hij had voorgesteld.

Conclusie

Deze zaak onderstreept het belang van een duidelijke en goed gedocumenteerde vaststelling van uw fiscale woonplaats, vooral als u pendelt tussen verschillende landen. Neem geen risico's en zorg ervoor dat uw fiscale positie helder en verdedigbaar is. Neem voor persoonlijk advies en begeleiding contact met ons op. Zo voorkomt u onaangename fiscale verrassingen!

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20242230, 22/1088 | 09-07-2024

Categorie: Internationaal

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"