• Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de voettekst
0513 – 41 34 44
Van der Wal & Bergsma

Van der Wal & Bergsma

Accountants | Belastingadviseurs

  • Wat wij doen
  • Werken bij
  • Nieuws
  • Contact

Inkomstenbelasting

Belastingrente van 4% niet te hoog

januari 8, 2026 by VDWB

Belastingrente is de vergoeding die de Belastingdienst in rekening brengt als zij een belastingaanslag niet op tijd hebben kunnen vaststellen. Bijvoorbeeld omdat er te laat of onjuist aangifte werd gedaan. Onlangs heeft het hof Den Haag zich gebogen over een zaak waarin de hoogte van de belastingrente centraal stond.

Te late aangifte

In 2021 ontvangt een man een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Voor zijn aangifte vraagt hij meermaals uitstel aan. Sommige verzoeken worden toegekend, andere afgewezen. Uiteindelijk stuurt de inspecteur een herinnering en een aanmaning tot het doen van aangifte. De man dient zijn aangifte voor 2021 pas in februari 2023 in. Hierop legt de inspecteur een definitieve aanslag op, inclusief een verzuimboete en belastingrente.

Bezwaar belastingrente

De man maakt bezwaar tegen de opgelegde belastingrente. Hij stelt dat de belastingrente ten onrechte is berekend. Zijn argument is dat hij de inspecteur in eerdere jaren, namelijk 2017 en 2018, heeft verzocht de voorlopige teruggaaf stop te zetten. Volgens de man had de inspecteur deze stopzetting ook in de daaropvolgende jaren moeten voortzetten. Daarnaast betoogt de man dat het gehanteerde rentepercentage van 4% niet in verhouding staat tot de rentepercentages die gelden in box 3.

Stopzetting van de voorlopige teruggave?

Het hof stelt dat de inspecteur de belastingrente terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in rekening heeft gebracht. Het feit dat de man in eerdere jaren heeft verzocht om stopzetting van de voorlopige teruggave, verandert niets aan de situatie voor 2021. De man heeft voor dat jaar immers geen specifiek verzoek tot wijziging of stopzetting ingediend. Het is de verantwoordelijkheid van de man om de voorlopige aanslag te controleren en indien nodig aan te passen.

Rente te hoog?

Ook het argument van de man over het rentepercentage wordt door het hof verworpen. Het hof benadrukt dat het percentage is vastgesteld op grond van de wet en het daarop gebaseerde besluit. De wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge en het minimum van 4% is niet dusdanig hoog dat de wetgever buiten deze marge is getreden. Bovendien geldt dit minimumpercentage ook wanneer de Belastingdienst belastingrente moet vergoeden. 

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2587 | 29-09-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Tarieven, heffingskortingen en bedragen inkomstenbelasting 2026

december 23, 2025 by VDWB

De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2026 als volgt.

tariefschijf inkomen op jaarbasis belasting en premies volksverzekeringen, jonger dan AOW-leeftijd idem, AOW-leeftijd en ouder
 1  € 0 tot € 38.884  35,75%  17,85%
 2  € 38.884 tot € 78.426  37,56%  37,56%
 3  € 78.426 of meer  49,5%  49,5%

Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van schijf 2 van € 41.123.

Het tarief in de eerste schijf bevat een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,1% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2026 bedraagt de AOW-leeftijd 67 jaar.

Heffingskortingen

De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 3.115 en wordt boven een inkomen van € 29.736 afgebouwd tot nihil. De afbouw bedraagt 6,398% van het meerdere inkomen. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 1.556 en bedraagt de afbouw 3,195%. Vanaf een inkomen van € 78.426 is de algemene heffingskorting nihil. Sinds 2025 is de algemene heffingskorting afhankelijk van het inkomen in de boxen 1, 2 en 3 samen.

De arbeidskorting bedraagt maximaal € 5.685 voor mensen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de arbeidskorting maximaal € 2.840. De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 45.592. De afbouw bedraagt 6,51% van het arbeidsinkomen boven € 45.592. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,250%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 132.290.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting start op nihil bij een arbeidsinkomen van € 6.239 en loopt op met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 3.032 bij een inkomen van € 32.720 of hoger.

De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923.

De ouderenkorting geldt voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt € 2.067 tot een inkomen van € 46.002. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 59.782. De alleenstaande-ouderenkorting bedraagt € 540.

Tarief box 2

Sinds 2024 kent box 2 een progressief tarief.

Inkomen in box 2 van  tot tarief
 € 0  € 68.843  24,5%
 € 68.843    31,0%

Tarief box 3

Het tarief voor de belastingheffing over de inkomsten uit sparen en beleggen bedraagt voor 2025 36%.

Forfaitaire rendementen box 3

Sinds 1 januari 2023 bestaan er drie categorieën vermogensbestanddelen met elk een eigen forfaitair rendementspercentage. De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden voor 2025 worden in het eerste kwartaal van 2026 vastgesteld. Voor het opleggen van voorlopige aanslagen wordt gebruikgemaakt van voorlopige forfaitaire rendementspercentages voor banktegoeden en schulden. Voor banktegoeden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s met een opzegtermijn van maximaal drie maanden. Voor 2026 bedraagt dit 1,28%. Voor schulden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken. Voor 2026 bedraagt dit 2,70%. 

Voor de categorie overige bezittingen is het definitieve rendement voor 2026 vastgesteld op 6,00%.

Ondernemers

De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dit was in 2025 nog € 2.470.

De mkb-winstaftrek voor ondernemers bedraagt 12,7% van de winst.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 21-12-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Bij buitenlands onroerend goed werkt rechtsherstel box 3 soms averechts

december 23, 2025 by VDWB

De Wet rechtsherstel box 3 heeft voor belastingplichtigen met buitenlands vermogen soms een averechtse uitwerking. De wetgever kiest bewust voor een strikte voorwaarde: alleen toepassen bij een lager voordeel uit sparen en beleggen. Deze harde grens laat geen ruimte voor een integrale afweging waarbij ook de uiteindelijk verschuldigde belasting wordt meegewogen.

Van voordeel naar teleurstelling

Een vrouw bezit banktegoeden, beleggingen en onroerende zaken buiten Nederland, met een totale waarde van ruim € 1,9 miljoen. Voor het jaar 2019 bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen conform de oorspronkelijke forfaitaire regeling € 37.909. Met de nieuwe berekeningsmethode uit de Wet rechtsherstel box 3 komt dat voordeel hoger uit op € 42.808. De vrouw stelt echter dat zij per saldo minder belasting verschuldigd is wanneer het rechtsherstel wordt toegepast. De reden hiervoor is dat de vrijstelling voor het buitenlandse vermogen dan hoger uitvalt: van € 8.025 naar € 10.421. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt bijna duizend euro in het voordeel van de vrouw.

De hoofdregel: alleen bij lager voordeel

De Wet rechtsherstel box 3 bepaalt dat de nieuwe rekenmethode uitsluitend van toepassing is voor zover dit tot een lager voordeel uit sparen en beleggen leidt. In deze zaak valt het voordeel volgens de nieuwe methode € 4.899 hoger uit. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing. Het hof oordeelt dat de duidelijke wettekst zich niet leent voor een andere uitleg.

De belastingverdragen bieden geen uitkomst

De vrouw voert aan dat de systematiek van de belastingverdragen een andere uitkomst rechtvaardigt. Volgens haar kan het voordeel uit het buitenlandse onroerend goed buiten beschouwing blijven, omdat op grond van de verdragen toch een vrijstelling wordt verleend voor het daarover verschuldigde belastingbedrag. Het inkomen dat vervolgens wordt toegerekend aan de bank- en spaartegoeden zou dan volgens de rechtsherstelmethode moeten worden berekend, omdat dat lager uitvalt.

Het hof verwerpt dit betoog. Uit de systematiek van de inkomstenbelasting in samenhang met de belastingverdragen volgt dat eerst het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald aan de hand van de nationale wetgeving. Vervolgens verleent Nederland op grond van de voorkomingsbepaling in het verdrag een vrijstelling voor de belasting die betrekking heeft op de inkomensbestanddelen die aan het andere land zijn toegewezen. 

Geen keuzemogelijkheid per vermogensbestanddeel

Het hof merkt op dat de redenering van de vrouw in feite neerkomt op een mengvorm waarbij voor elk vermogensbestanddeel afzonderlijk kan worden gekozen tussen de oude en nieuwe berekeningsmethode. Dit ‘eten van twee walletjes’ is volgens het hof in strijd met de systematiek van zowel de Wet IB 2001 als de Wet rechtsherstel box 3. De rendementsgrondslag in het buitenland kan niet buiten beschouwing blijven bij de initiële berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2400 | 15-10-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Rente op terugbetaalde gouden handdruk aftrekbaar

december 11, 2025 by VDWB

Een werknemer moet na jarenlange procedures zijn gouden handdruk van € 750.000 terugbetalen, plus € 202.000 wettelijke rente. De Belastingdienst weigert de aftrek van die rente. Het hof oordeelt dat de rente wél aftrekbaar is als negatief loon. 

Van winnaar naar verliezer

In 2007 lijkt de werknemer de grote winnaar. De rechter veroordeelt de werkgever van de werknemer tot betaling van een gouden handdruk van € 750.000 bruto. Hij gebruikt de stamrechtvrijstelling en stort het bedrag onbelast in zijn eigen bv. Daar kan het geld belastingvrij renderen tot hij met pensioen gaat. De werkgever vecht door. Na hoger beroep, cassatie en verwijzing volgt in 2013 het oordeel. De werknemer krijgt nul euro. Hij moet de ontvangen gouden handdruk terugbetalen, plus zes jaar wettelijke rente. Die loopt op tot ruim twee ton. Ook de proceskosten van ruim € 40.000 komen voor zijn rekening.

Verrekening maakt het complex

De werknemer heeft nog recht op achterstallig loon van € 641.000 bruto. De werkgever houdt hier € 329.000 loonheffing op in en verrekent het nettobedrag van € 312.000 in 2013 met de terugbetalingsverplichting. In september 2015 betaalt de werknemer het restant van bijna zeven ton. Hij neemt dit als negatief loon in zijn aangifte op. De inspecteur corrigeert dit. De rechtbank geeft de inspecteur grotendeels gelijk, maar het hof denkt hier anders over.

Twee kanten van dezelfde medaille

Het hof redeneert principieel. Stamrechtuitkeringen zijn belast loon, inclusief het rendement dat in de bv wordt behaald. Als de werknemer straks uitkeringen zou ontvangen, betaalt hij daarover belasting. Die uitkeringen bevatten ook het rendement. De wettelijke rente die de werknemer nu moet betalen, is feitelijk hetzelfde rendement over dezelfde € 750.000. Het hof noemt het twee kanten van dezelfde medaille. Als de ene kant (toekomstige uitkeringen) belast is, moet de andere kant (betaalde rente) ook aftrekbaar zijn. De rente kwalificeert daarom als negatief loon.

Proceskosten niet aftrekbaar

Over de proceskosten oordeelt het hof strenger. Deze vloeien niet rechtstreeks voort uit de dienstbetrekking. De werknemer voerde een procedure over vorderingen, die verband houdt met de dienstbetrekking, maar niet de uitoefening ervan is. De proceskosten blijven daarom niet aftrekbaar. Ook de verrekende loonheffing levert geen voordeel op. Het loon is in 2013 genoten door verrekening. De loonheffing hoort dus bij 2013, niet bij 2015. De werknemer kan deze niet alsnog verrekenen.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2025:7373 | 17-11-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Betaal voorlopige aanslag 2026 pas ná de dagtekening

december 11, 2025 by VDWB

In december 2025 verzendt de Belastingdienst al aanslagen over 2026. Deze hebben een dagtekening in januari 2026. Dat kan de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2026 zijn, maar mogelijk ook een andere aanslag. De Belastingdienst wijst erop deze aanslagen pas ná de dagtekening in 2026 te betalen. Bij betaling van de aanslag vóór de dagtekening is het mogelijk dat de systemen van de Belastingdienst de betalingen nog niet kunnen verwerken. Als gevolg daarvan stort de Belastingdienst de bedragen terug.

De voorlopige aanslagen worden vanaf dit moment via het ‘Service Bericht Aanslag’ aan de adviseur gecommuniceerd en vanaf eind december ook via de Berichtenbox in ‘Mijn Belastingdienst’. De papieren te betalen voorlopige aanslag zal in januari worden bezorgd.

De uiterste betaaldatum is afhankelijk van de betaalwijze. In de betaalinformatie staat de juiste uiterste datum waarop het totale aanslagbedrag op de rekening van de Belastingdienst moet staan. Bij betaling in termijnen gelden de daarvoor in de betaalinformatie vermelde uiterste betaaldatums.

Bron: Belastingdienst | publicatie | 03-12-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

Gouden munten geen contant geld

november 13, 2025 by VDWB

Contant geld valt in box 3 sinds 2023 onder het lage rendementspercentage voor banktegoeden. De Kennisgroep 'inkomstenbelasting niet-winst' is van mening dat ter belegging gehouden gouden munten niet kwalificeren als contant geld. Deze gouden munten behoren tot de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ voor box 3.

Definitie van contant geld

In de wet is geen definitie opgenomen van contant geld. Het woord ‘contant’ duidt op een stoffelijk goed. Giraal geld, waaronder virtuele munten, valt daarom niet onder contant geld. Het woord ‘geld’ houdt in dat het een algemeen aanvaard ruil-/betaalmiddel moet zijn. Contant geld wordt aangemerkt als de fysieke evenknie van een banktegoed

Gouden munten

Gouden munten zijn niet aan te merken als de fysieke evenknie van een banktegoed. Het is immers niet mogelijk om deze gouden munten rechtstreeks te storten op een bankrekening. Een commerciële bank accepteert de gouden munten doorgaans niet. Via een goudwisselkantoor moeten de gouden munten worden omgezet in reguliere valuta. Dit geldt voor alle gouden munten, maar meer in het bijzonder voor gouden munten die niet zijn uitgegeven in de officiële munteenheid/valuta van een land of waaraan geen nominale waarde is toegekend.

Rendement

Het enige rendement dat mogelijk is op contant geld, zijn eventuele koersresultaten op buitenlandse valuta. Daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever met contant geld de officiële munteenheid/valuta van een land bedoelt, waarbij de nominale waarde steeds gelijk is aan de waarde in het economische verkeer. In het geval van gouden munten in de officiële munteenheid/valuta geldt dat deze waarden niet gelijk zijn. De waarde wordt namelijk niet bepaald door de nominale waarde van de munt, maar door de edelmetaalwaarde (intrinsieke waarde) of de numismatische waarde (de muntkundige waarde). Hierdoor is er met deze munten meer rendement te behalen dan alleen een eventueel koersresultaat.

Andersoortige munten 

Dit standpunt geldt ook voor andersoortige munten, al dan niet in de officiële valuta van een land, waarvan de waarde in het economische verkeer (veel) hoger ligt dan de nominale waarde. Denk bijvoorbeeld aan een herdenkingsmunt of een misdruk.

Bron: Belastingdienst | publicatie | KG:202:2025:22 | 06-11-2025

Categorie: Inkomstenbelasting

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 30
  • Ga naar Volgende pagina »

Footer

Contactgegevens

Torenstraat 48
8501 BW Joure
0513 – 41 34 44

info@vanderwalbergsma.nl

Documenten

Disclaimer
Algemene voorwaarden
Privacy verklaring
Privacy voorwaarden
Klachten
Klokkenluidersregeling

Lidmaatschappen

Webdesign: Reclamebureau "Studio Daan & Ed"